Hij is spiegelmaker. Zo noemen ze hem. Spiegelmaker. Hij vond het een mooi woord. Het klonk gekend en voor de hand liggend, maar zo had hij zichzelf nooit genoemd. Hij was gewoon een ambachtsman.
Het is een vreemd beroep, of eerder een roeping in zijn geval. Iedereen heeft wel minstens één spiegel die daarenboven ook dagelijks gebruikt werd. De spiegel in de badkamer die als enige ziet hoe je de nacht uitkruipt. Deze in de slaapkamer, die je was voorbijgelopen, maar die je nu zal raadplegen om je outfit te bepalen. En vaak ook deze in de gang, waar je, net voor je de deur uit gaat, de laatste kwaliteitscontrole doet voor de wereld je te zien krijgt: ja, het is goed. De voordeur klikt in het slot en de dag begint.
Die spiegels maakt hij niet. Geen dagelijkse reflectie-instrumenten die je zekerheid bieden. Zijn spiegels geven zelfs geen antwoorden hoewel ze minstens even hard reflecteren, zo niet nog meer dan die dagelijkse spiegels.
Ze staat voor de spiegel. Het hoofd automatisch schuin zoals dat gaat als je jezelf monstert. Even waagt ze zelfs een voet vooruit, de hiel optillend. Ze lacht. Minzaam. Te weinig. Tanden bloot. Teveel. Lachen blijkt niet om te lachen.
Ze kijkt en ontdekt wat de spiegel haar vertelt. Een frons op haar voorhoofd. Ze tuurt. Is het zo? Ze leest wat de spiegel zegt. Ontdekt wat ze wist. Nu bevestigd, of anders belicht. Ze ziet zichzelf mooier dan ze zag.
Ze kijkt. Opnieuw. Langzaam zakken haar schouders. Het zoeken is voltooid. Ze ziet wat er al lag, verborgen onder wat niet gevonden moest worden.
Hij kijkt. Ziet haar in de schoonheid van het weerkaatste licht. Nog even schudt ze het haar, wordt die ene lok op de juiste plaats gelegd. Haar dag kan beginnen. Ook die van hem. Samen kijken ze door de spiegel die hen scheidt en verbindt. Ze kijken naar elkaar. En lachen, toch die tanden bloot.
