28/12/25 – Groede

Ik ben in Groede, in de taverne De Drie Koningen, op de hoek van het kerkplein. In dit gebouw zouden mijn voorouders geleefd hebben. Daarom ben ik hier, niet om dat feit te onderzoeken – dat doe ik in een ander schrijfproject genaamd Rouotes – maar omdat ik naar Groede vlucht als ik niet weet waar ik anders heen kan gaan.

Ik ontdekte Groede amper twee jaar geleden. Vrienden raadden de plek, vooral het strand, aan als toeristenluwe plek om even naartoe te trekken als een zonnige dag in het binnenland het beeld van de zee opriep. Niet het strand, dat ik best fijn vind, niet in het minst omdat het een naakstrand is, maar het dorp beviel me meteen. Klein, authentiek, zo lijkt het toch, maar ook geen versteend dorp in de tijd zoals we in België zowat alle historische steden als musea aan het inrichten zijn. Het dorp zou een kunstenaarsdorp zijn. Die attributie vind ik altijd gevaarlijk. Het betekent dat een dorp zich bewust wordt van zijn bestaan en dat is vaak de eerste stap naar dat museum waar ik zo’n afkeer van heb. Nog even en er ontstaan allerlei zichzelf bevlekkende culturele programma’s. Kunstenaars, echte kunstenaars, zitten in hun atelier, verborgen achter verf, steen, of bedolven onder de inkt waarmee ze schrijven. Ik zie gelukkig nog een voorbijganger in een schilderskiel met een baret op het hoofd, zo achteloos als die stethoscoop die steevast rond de nek van elke arts die zichzelf zeer ernstig neemt hangt.

Maar ik ben dus in Groede. Ik ben hier toegekomen met de vraag hoe ik mijn toekomst wil inrichten. De vraag is niet nieuw – iedereen stelt zich wel eens die vraag – maar ze is vooral niet nieuw voor mij. Ik ben moe van deze vraag en wellicht is mijn omgeving ook moe van mijn zoektocht en bij uitbreiding van mezelf. Ik zoek en lees allerlei denkers, filosofen, kunstenaars, schrijvers op mijn smartphone, scroll langs podcasts op zoek naar het antwoord. Uiteraard vind ik het antwoord niet. Het zit zelfs niet verborgen in de inzichten van al die slimmeriken.
Kan ik eventueel de wetenschappelijke methode aangrijpen om de vraag te beantwoorden? Een systematisch en falsifieerbaar onderzoek voeren? Onderzoek deed ik onbewust al meer dan dertig jaar. Wie mijn curriculum vitae leest – ik bespaar u een samenvatting – loopt het risico wagenziek te worden van de vele bochten die ik nam. Anders dan een tocht langs een bergpas verliep mijn tocht niet naar de top. Ik heb althans niet het gevoel mij daar te bevinden en ik heb evenmin de gedachte dat ik op weg naar boven ben. Niets uit mijn omgeving verraadt een stijgende lijn. De vegetatie verandert niet, het uitzicht evenmin. Ik kan evenwel toch uit eerste hand rapporteren wat mijn ervaringen waren bij die vele pogingen het vinden van de toekomst. Misschien moet ik onthouden dat de toekomst niet kan worden gevonden, maar zich gewoon manifesteert. Dat is misschien de reden waarom mijn levensloop, hoewel kronkelig, geen bergpas is. Het leven is niet op weg naar de top.

Ik schrijf deze tekst niettemin wel als onderdeel van mijn poging tot wetenschappelijk onderzoek naar mijn toekomst. Opnieuw een dagboek, opnieuw het neerschrijven van reflecties, hooguit persoonlijk, hoewel ik ze toch zal delen – dus onbewust zal ik wellicht enkele bedenkingen weglaten, uit welvoeglijkheid, uit schroom, in een poging toch niet helemaal narcistisch te publiceren en gewoon omdat ik wellicht ook gedachten en ervaringen heb die te saai zijn om er letters en uw leestijd aan te verspillen.

Ik neem me dus voor om het komende jaar, 2026, regelmatig verslag te maken van mijn zoektocht, mijn denken. Vooral mijn denken. De ondertitel van dit groeiend document is Voor het schrijven begint. Ze verwijst naar hetgeen ik doe voor ik een verhaal schrijf, een essay neerpen of een theatertekst probeer in elkaar te zetten. Het merendeel van die tijd wordt besteed aan het denken en het ordenen van wat ik gedacht heb. Komt daar iets uit wat ik waardevol vind, dan vindt dat soms zijn weg naar papier. Of eerder naar het beeldscherm van mijn computer. We bevinden ons nu nog in 2025, vier dagen verwijderd van het nieuwe jaar. Kwestie van even voorsprong te nemen en alvast de inleiding tot deze hele nieuwe onderneming uit te schrijven.
Ik blijf natuurlijk ander werk produceren. Dit dagboek is louter de neerslag van wat gebeurt tussen al dat andere schrijfwerk. Ik ben benieuwd.

Ongeschikt

Op één vraag lijk ik al een antwoord te hebben gevonden. Waarnaar ik op zoek ben, moet, vanuit mijn standpunt, zin hebben, ertoe doen, en dan liefst de wereld veranderen, verbeteren zeg maar. Mijn kronkelig verleden is gekenmerkt door vele pogingen hiertoe. Stenen verleggen in een rivier, niet noodzakelijk de mijne, liever niet zelfs. Ik denk dat ik mijn rivier niet weet liggen. Een tweede kenmerk kan ik ook uit mijn verleden halen. Wat ik wil doen, moet bij voorkeur nieuw zijn, anders, niet iets wat zovele anderen ook doen of deden, en vaak beter doen. Dat tweede kenmerk is meteen een moeilijke. Wat werd in godsnaam nog niet eerder gedaan? Wie een theatertekst schrijft, weet dat er maar een paar verhalen zijn om te vertellen en dat de Grieken deze al allemaal hebben neergepend. Wellicht waren zij niet de eersten, maar de beschavingen voor hen hadden onvoldoende technische middelen om hun verhalen voor de eeuwigheid te bewaren.
Ik wil dus de wereld veranderen en liefst op een nieuwe manier.

Als er één kenmerk is dat ik aan mezelf toeschrijf als zijnde authentiek, en hiermee bedoel ik dat het mij niet werd aangeleerd of dat ik niet aan een externe verwachting probeer te voldoen, dan is het mijn drang naar vrijheid. Al van kindsbeen af vond ik, zoals zovelen, de school vreselijk. Het ergste aan een school vond ik vooral het feit dat je van je vrijheid werd beroofd. Je moest op bepaalde tijdstippen op een bepaalde plek in een klaslokaal gaan zitten. Je mocht enkel spreken wanneer je de toelating kreeg. Laat staan dat je mocht handelen op eigen initiatief. Ik begreep evenmin waarom je je in je vrije tijd geheel vrijwillig zou aansluiten bij een jeugdbeweging. Het beeld dat ik had van al deze clubjes was dat er een leider was die zou vertellen wat je wanneer zou mogen doen. Dit leek me ondenkbaar. Ik zei destijds altijd dat als ik een clubje wou, ik er wel zelf één zou maken. Wat ik trouwens ook enkele keren deed. In mijn vorig dagboek verwijs ik naar een heuse oprichtingsactie uit 1978 die het ontstaan van “De Bevers” documenteert. Ondertussen ben ik zover dat ik vrijheid zie als een basiskenmerk van onze soort en hierdoor ook als een oorzaak van vele maatschappelijke problemen. Onze samenleving wordt willens nillens gekenmerkt door het beperken van de individuele vrijheid. Hoe noodzakelijk ook het maken van afspraken is, de samenleving gaat dus mijns inziens altijd in tegen de menselijke natuur. Vrijheid is wat mij betreft een basisrecht van elke persoon. Elke beperking ervan moet zorgvuldig worden geëvalueerd. Ik ben ervan overtuigd dat ik ook in 2026 een aantal keer zo’n beperking zal ontmoeten. Het is nooit anders geweest.

Tot slot lijkt het me voldoende om me bij deze eerste bijdrage tot drie wetenswaardigheden over mijn verleden te beperken. Ik besef dat mijn mening, mijn visie afwijkt van wat de geldende norm is. Ik volg de gekende paden niet. Aanvankelijk omdat ik niet wist waar ze lagen – mijn verleden is bezaaid met opdrachten waarvan ik de expertise ontwikkelde terwijl ik er al mee bezig was – maar na verloop van tijd omdat ik die paden niet de juiste vond. Zie hiervoor mijn tweede argument: ik wil nieuwe dingen doen omdat ik meestal de bestaande processen, afspraken en werkwijzen waarop de samenleving aan elkaar hangt niet de juiste vind. Wat ik ook doe, en vooral in het verleden deed, zal immer op weerstand botsen. Mijn levensloop hangt aan elkaar van dergelijke conflictmomenten, vaak bescheiden in omvang, hooguit kwam er wel eens een juridische krachtmeting aan te pas, maar nooit belandde ik in een gevangenis, zelfs niet administratief – ik loop immers niet in betogingen. Betogingen en stakingen zijn niet mijn instrumenten om mijn ongenoegen te uiten. Het verkondigen van mijn gelijk des te meer, en vaak onderbouwd met een voor anderen heel ergerlijk sluitende logica.

Uit deze inzichten is alvast één conclusie gekomen: ik ben volledig ongeschikt om, middels een leidinggevende functie in de samenleving, de inzichten waarin ik geloof in realiteit om te zetten. Lang hoopte ik op dergelijke stoel – het ego wil ook wat – maar daar hoor ik niet thuis. Dit inzicht ontwikkelde ik pas de afgelopen jaren, misschien zelfs maanden, want recent stelde ik me nogmaals kandidaat om de leiding op te nemen van een grote onderwijsinstelling. Gelukkig hadden ze door dat ik daar niet geschikt voor was. Hun afwijzing verhinderde een grote teleurstelling die hoe dan ook zou komen.

Hier sluit ik de eerste dagboekbijdrage van 2026 af. De tekst was eerder een inleiding, een aanzet tot wat een dagboek zal worden.
Ik ga nu een verhaal schrijven, wellicht twee zelfs. Achteraf komt er een nieuwe dagboekbijdrage die vertelt wat eraan voorafging, geheel overeenkomstig het doel van dit journaal.