“Wanneer heb jij voor het laatst gedroomd?” vroeg zij.
“Gisteren”, antwoordde hij. Hij wist het niet, maar had ergens gelezen dat het wetenschappelijk bewezen was dat we elke dag dromen, alleen beseffen we het doorgaans niet. Meer nog, als je je droom herinnert, dan zou dit betekenen dat je niet diep geslapen hebt. Gisteren dus.
“Ik niet”, zei ze.
“Toch wel”, antwoordde hij, “je weet het alleen niet meer.” Het klonk verwijtender dan hij had bedoeld. Alsof ze onachtzaam was geweest. En dat was ze niet. Ze was nooit onachtzaam. Hooguit soms moe. En dat kon wel, want dat zou verklaren waarom ze diep sliep en alle dromen uit haar herinnering gewist waren. Of eerder, er niet in terecht gekomen waren. Hersenactiviteit die verdwijnt vóórdat het een spoor kan nalaten. Zou dat kunnen? Hij vroeg het zich in stilte af.
“Toch wel”, reageerde ze, “ik herinner me nog mijn droom van eergisteren.”
“En je kwam erin voor”.
“Dat herinner ik me niet”, zei hij lachend. Hij vond het fijn om te horen dat hij in haar dromen voorkwam. Dat ze van hem droomde. Ze had weliswaar niet verteld welke rol hij toebedeeld had gekregen. Daar durfde hij niet naar vragen.
Ze zwegen en keken voor zich uit, naast elkaar, op het bankje in het donker van de vroege avond. Wachtend op de winter. Met open ogen droomden ze de nacht in. Van elkaar. Dat wisten ze. Dat voelden ze. Hij zei altijd dat je niet moet twijfelen aan je gevoel over de ander. Die ander denkt wellicht hetzelfde als jij op datzelfde moment. Dat had het leven hem geleerd. Had ze dat maar geweten toen ze jong en onzeker was. Ze probeerde hem te geloven.
De stilte bracht de verbondenheid. Ze voelden hoe hun armen, schijnbaar achteloos, tegen elkaar leunden, bijna duwden. Onbewust wilden ze elkaar hun energie doorgeven. Het bankje was nochtans groot genoeg. Maar het leunen eerder dan het steunen vertelde alles waar ze geen woorden voor hadden gevonden, of waar ze ook geen woorden voor durfden te zoeken. Dromen doe je toch woordeloos.
De tijd voor het loslaten was gekomen. Die kwam altijd zonder genade. Ze wisten dat hier opnieuw de wegen scheidden. Dat de koppeling gelost werd.
Nu kwam het moment van de herinnering – de hunkering naar dat gevoel van dan. Die zou nog lang blijven hangen. Tussen hen. En enkel bestaan in hun dromen. En hun betekenis geven.
