De lichtmeridiaan: 3.Voeten
26/07/2016

chateau

Inleiding

Het thuisfront leest mee, zo heb ik vernomen. Mijn dochter volgt nauwgezet de foto’s en maakt er een spel van om het lichtje op de foto te vinden. Mijn dochter is vijf. Ze heet Katrien. Toen ze van haar moeder vernam dat papa niet alleen foto’s neemt maar ook verhaaltjes schrijft, vraagt ze om de teksten voor te lezen. Ik hoor van mijn dochter dat de verhalen wat saai zijn. Bij de passage over de bonobo’s moest ze toch schaterlachen zoals alleen zij dat kan. Maar omdat ik niet altijd over Bonobo’s kan schrijven, voeg ik vanaf nu een vertaalde versie van mijn stukje toe, op maat van een vijfjarige.

Veel leesplezier.

Jens

PS: ik las zoals u opnieuw onheilspellende berichten van geweld van deze dag. Sta me toe me in de parallelle wereld van deze reis te blijven en hier niet veel over te zeggen.

Voeten

Ik stel bij mezelf vast dat er zich bij dit project een vreemd soort betrokkenheid in mij heeft genesteld. Het heeft allemaal  te maken met het feit dat dit project nauw verbonden is met mijn geboortestad Blankenberge. Ik schep er bijkomend plezier in om iets te kunnen doen met en voor mijn stad, hoewel het mijn stad allang niet meer is. Ik woon al meer dan vijfentwintig jaar aan de rand van de Vlaamse Ardennen, in Zingem. Dat is langer dan ik aan de zee heb gewoond. Ik kom pakweg maandelijks nog eens in mijn geboortestad bij een bezoek aan mijn ouders. Hoe komt het dat een stad waar ik allang niet meer woon, toch met me verbonden blijft?

Vanwaar die hunkering naar de heimat die velen onder ons kennen? Een hunkering die eigenlijk de basis is van zoveel ellende. En dan heb ik het niet over het persoonlijke heimwee dat een reiziger wel eens heeft. We lijken ons voor eeuwig te identificeren met de plek waar we geboren zijn. Nochtans is die plaats niet bepaald door enig eigen toedoen. Het is gewoon de plek waar de moeder vertoefde toen het zover was.

Ik herinner me de scherpe observatie van de Palestijnse schrijver Amin Malouf tijdens een lezing in Brussel vele jaren geleden. Hij had het over “roots”, de wortels van een volk. Als Palestijn weet hij wel wat te vertellen over de problemen die wortels veroorzaken. Een mens is niet gemaakt om te wortelen, is mijn vrije interpretatie van wat hij zei. Anders was hij een boom. Een mens is gemaakt om “routes” te volgen. Je moet de woorden in het engels lezen om de humor – en Malouf is echt een geestige Palestijnse intellectueel –  in zijn woordspeling te begrijpen. “Forget roots, Follow routes”.

Wat Malouf zegt, sluit aan bij het vorige stukje over anti-entropie. Was de mens een boom geweest, dan waren wortels inderdaad heel belangrijk. Zonder wortels sterft de boom. We hebben echter voeten in plaats van wortels gekregen en die dingen zijn gemaakt om rond te lopen. Probeer maar eens een hele dag op die voeten van u stil te staan. Ze dienen er gewoon niet voor. En bij uitbreiding uw hele lijf niet. Ons lijf is gemaakt om te bewegen. Of juister geformuleerd, de natuur heeft ervoor gezorgd dat onze gehele ontwikkeling behoorlijk harmonieus is verlopen. Stel u voor dat u kon dromen van verre reizen maar dat de natuur u vergat  benen te geven. Of dat u kon lopen als een gazelle, maar enkel om te ontsnappen aan uw vijand. Neen, wij, het sterk anti-entropisch zoogdier dat wij zijn, heeft doorgaans het lijf dat bij hem past. Wij zijn vrij. Of we willen het althans zijn. En ons lijf laat ons toe dat te zijn. Ik volg Malouf dus graag in zijn bewering dat het de routes zijn die tellen en niet de roots. Ulrich Libbrecht zou zeggen, de vrij energie van de mens is veel groter dan de vrije energie van een boom. Een boom kan zich hooguit wat buigen als het stormt. Daar houdt het op. Dat klopt. Veel initiatieven heb ik een boom nog niet zien nemen. Integendeel. Ik zou het eigenlijk wel op prijs stellen mocht de kastanje in mijn tuin ooit inzien dat hij zijn bladeren in de herfst beter aanhoudt in plaats van afwerpt. Het zou mij een pak opruimwerk besparen. In de lente moet hij er anders toch nieuwe maken. En hij zou het warmer hebben in de winter.

Maar waarom maakt het mij dan gelukkig om hier in Frankrijk een verbondenheid te voelen met Blankenberge? Waarom was mijn motivatie om dit hele plan te ondernemen groter omdat het om mijn geboortestad ging? Voor een stuk was ik meteen gewonnen voor het idee om de stad, die vooral gekend is om zijn massatoerisme, in dat ander daglicht te stellen. Blankenberge is meer dan boules de l’Yzer op het strand (dat zijn Berlijnse bollen voor de niet-Blankenbergenaars) en ijsjes. Getuige hiervan de rijk gevulde cultuuragenda en de vele cultuurverenigingen van de stad. Ze staan evenwel altijd in de schaduw van een toren aan frigoboxen.

Maar die uitleg volstaat niet. Het “geboren zijn in” speelt toch zijn rol. Sociologen en psychologen voeren aan dat we de veiligheid van de stam opzoeken. Vertoeven in een gekende omgeving verkleint de kans om door een onverwachte tijger verscheurd te worden. Ik kan me echter niet ontdoen van het gevoel dat telkens die specialisten met een argument voor de dag komen dat verwijst naar onze oertijd, ik me de bedenking maak dat ze er zo altijd gemakkelijk mee weg kunnen komen. Het klinkt plausibel, dus zal het ook zo wel zijn. Maar het is verdorie toch niet zo lang geleden dat wij nog dagelijks wakker lagen van loslopende tijgers. Ik weet het niet. De geboorteplek heeft een impact. Kijk in de ogen van de velen die de oorlog  ontvlucht zijn en hier onderdak zoeken en je zal de hunkering naar de heimat zien. Ook al ligt deze vol met landmijnen en bommen.

Ik merk evenwel dat zodra die territoriumdrift groteske vormen aanneemt, het pas behoorlijk fout gaat. Getuige de krantenartikelen van vandaag, gisteren en de dagen daarvoor. De vele recente aanslagen hebben te maken de groep uit het ene territorium die zich te lang vergeten van, of belaagd of onderdrukt heeft gevoeld door de ander. Die groteske vormen zijn wat mij betreft het gevolg van het misbruiken van die heimathunkering. Grootmachten misbruiken ze om hun geopolitieke spel te spelen. Wie zei vorige week ook al weer “America first”? En de vele kleintjes zoals België, die misbruiken onze stamdrift om politiek-economische redenen wat hetzelfde is als kortzichtig. We kunnen de boterhammen niet voor heel de wereld betalen, dus sluiten we onze grenzen zodat wij toch geen honger gaan lijden. Vergeet echter niet dat  deze redenering uiteindelijk terugvalt op de geheel toevallige gebeurtenis van waar je moeder besloot je ter wereld te brengen. Ze houdt, met andere woorden, geen steek.

Laat ons dus maar werk maken van het opwaarderen van onze voeten. De mens als reiziger. De mens die geen grenzen nodig heeft om zijn identiteit te beschrijven. ‘’Ego mundi civis esse cupio’’, zei Erasmus. Ik wil een burger van de wereld zijn, of eerder een pelgrim. Een pelgrim wandelt. Een pelgrim is een reiziger. Zoals ik dit deze week ben, samen met mijn vader. We plaatsten ondertussen reeds 20 lichtbakens. Mochten uw voeten beginnen kriebelen, volg het licht.

En Blankenberge, dat draag ik dan mee als een foto van een geliefde. Een herinnering aan een fijn moment.

De versie voor Katrien

Sarah zit boos in een hoek op de speelplaats. De handen gekruist voor haar buik. Boven haar anders zo blije ogen, een diepe frons. Ze is boos op Kareltje. Kareltje is nochtans haar vriend. Al sedert de eerste kleutertuin. Ze zaten samen aan dezelfde tafel. De rode. Zij waren de vrienden van de rode tafel, samen met nog een ander meisje, Pippa. En nu had Kareltje gezegd dat Sarah toch niet zo echt tot de groep behoorde als hijzelf en Pippa. De papa van Sarah was immers niet geboren in het dorp waar Sarah en Kareltje woonden. De papa van Sarah was geboren aan de zee en op een dag was hij gewoon in het dorp komen wonen met zijn vrouw, de mama van Sarah. Zij was hier wel geboren. De mama van Sarah was een echte. De papa van Sarah was “niet echt”. Sarah begreep het niet. Haar papa was toch wel echt? En hij woonde al heel lang in het dorp. Sarah wist wel van die mensen die soms eens op bezoek in het dorp komen. Ze komen om te fietsen. Dan blijven ze een hele week en gaan dan weer naar huis. Dat die geen echte zijn, dat kon ze nog begrijpen. Maar haar papa? Hij was hier al lang en zou hier altijd blijven. Dat dacht Sarah toch.

Pippa vond het niet fijn dat Sarah zo verdrietig was. Ze kwam Sarah troosten: “Sarah, je moet niet zo verdrietig zijn. Het is niet waar wat Kareltje zegt”.

“Toch wel”, zei Sarah, “Mijn papa is hier echt niet geboren. Dus hij is niet echt zoals Kareltje zegt”.

“Trek het je niet aan”, zei Pippa, “Kareltje zegt dit gewoon om je te plagen”.

Maar Sarah was niet te troosten. Ze bleef in de hoek van de speelplaats op de grond zitten met de handen voor haar buik  gekruist en de diepe frons in haar voorhoofd.

Na schooltijd ging ze met mama naar huis. Sarah was nog steeds verdrietig en boos. Ze ging naar haar kamer en ging met haar knuffels op bed liggen. De Eekhoorn en de Poortwachter, het waren haar liefste knuffels. De Poortwachter was eigenlijk een soldaat, maar omdat Sarah nooit oorlog speelde had ze van hem een bewaker gemaakt van haar prinsessenkasteel. Zo kon die pop ook altijd meespelen.

“Zie je wel”, mompelde Sarah tegen zichzelf, “die poortwachter is ook niet echt een poortwachter. Hij is een soldaat. Maar toch mag hij meespelen. Waarom mag ik dat dan niet?”

“Kareltje is trots op zijn papa”, zei de poortwachter plots.

Sarah kon haar ogen en vooral haar oren niet geloven. Sprak die pop nu tegen haar?

De poortwachter ging verder: “Gisteren stond de opa van Kareltje in de krant omdat hij 100 jaar was geworden. Kareltje’s opa is de oudste van het hele dorp. En gisteren ging de hele familie samen met de burgemeester op de foto om dat te vieren. In de krant stond geschreven: 100 jaar en een echte Zingemnaar. Daarom zegt Kareltje dat zijn opa echt is, en zijn papa ook en hij dus ook.”

Sarah wist niet dat de opa van Kareltje zo oud was. 100 jaar. Dat was pas echt heel oud!

De poortwachter zei: “Jouw papa is dan misschien geen echte Zingemnaar, maar  hij is wel een echte Blankenbergenaar. Hij komt van Blankenberge. Hij is van Blankenberge naar hier gereisd om hier te wonen. Dat is heel ver. Dus jouw papa is ook heel echt, een echte Blankenbergenaar en een echte reiziger. Hij is dan wel geen 100 jaar, maar hij heeft wel 100km ver gereden om hier te kunnen wonen. Dat is ook bijzonder.”

“En wij zijn echt van de rode tafel”, zei Sarah plots luidop. “Hier hebben we altijd al gezeten. Dat is echt waar. Wij zijn dus ook echt, evenveel. Het gaat er niet om van waar je komt.”

“Bravo!” zei de eekhoorn, “Je hebt het begrepen.”

Hé, spreekt die eekhoorn nu ook? Zijn die nu ook echt?