De lichtmeridiaan: 3.Voeten

chateau

Inleiding

Het thuisfront leest mee, zo heb ik vernomen. Mijn dochter volgt nauwgezet de foto’s en maakt er een spel van om het lichtje op de foto te vinden. Mijn dochter is vijf. Ze heet Katrien. Toen ze van haar moeder vernam dat papa niet alleen foto’s neemt maar ook verhaaltjes schrijft, vraagt ze om de teksten voor te lezen. Ik hoor van mijn dochter dat de verhalen wat saai zijn. Bij de passage over de bonobo’s moest ze toch schaterlachen zoals alleen zij dat kan. Maar omdat ik niet altijd over Bonobo’s kan schrijven, voeg ik vanaf nu een vertaalde versie van mijn stukje toe, op maat van een vijfjarige.

Veel leesplezier.

Jens

PS: ik las zoals u opnieuw onheilspellende berichten van geweld van deze dag. Sta me toe me in de parallelle wereld van deze reis te blijven en hier niet veel over te zeggen.

Voeten

Ik stel bij mezelf vast dat er zich bij dit project een vreemd soort betrokkenheid in mij heeft genesteld. Het heeft allemaal  te maken met het feit dat dit project nauw verbonden is met mijn geboortestad Blankenberge. Ik schep er bijkomend plezier in om iets te kunnen doen met en voor mijn stad, hoewel het mijn stad allang niet meer is. Ik woon al meer dan vijfentwintig jaar aan de rand van de Vlaamse Ardennen, in Zingem. Dat is langer dan ik aan de zee heb gewoond. Ik kom pakweg maandelijks nog eens in mijn geboortestad bij een bezoek aan mijn ouders. Hoe komt het dat een stad waar ik allang niet meer woon, toch met me verbonden blijft?

Vanwaar die hunkering naar de heimat die velen onder ons kennen? Een hunkering die eigenlijk de basis is van zoveel ellende. En dan heb ik het niet over het persoonlijke heimwee dat een reiziger wel eens heeft. We lijken ons voor eeuwig te identificeren met de plek waar we geboren zijn. Nochtans is die plaats niet bepaald door enig eigen toedoen. Het is gewoon de plek waar de moeder vertoefde toen het zover was.

Ik herinner me de scherpe observatie van de Palestijnse schrijver Amin Malouf tijdens een lezing in Brussel vele jaren geleden. Hij had het over “roots”, de wortels van een volk. Als Palestijn weet hij wel wat te vertellen over de problemen die wortels veroorzaken. Een mens is niet gemaakt om te wortelen, is mijn vrije interpretatie van wat hij zei. Anders was hij een boom. Een mens is gemaakt om “routes” te volgen. Je moet de woorden in het engels lezen om de humor – en Malouf is echt een geestige Palestijnse intellectueel –  in zijn woordspeling te begrijpen. “Forget roots, Follow routes”.

Wat Malouf zegt, sluit aan bij het vorige stukje over anti-entropie. Was de mens een boom geweest, dan waren wortels inderdaad heel belangrijk. Zonder wortels sterft de boom. We hebben echter voeten in plaats van wortels gekregen en die dingen zijn gemaakt om rond te lopen. Probeer maar eens een hele dag op die voeten van u stil te staan. Ze dienen er gewoon niet voor. En bij uitbreiding uw hele lijf niet. Ons lijf is gemaakt om te bewegen. Of juister geformuleerd, de natuur heeft ervoor gezorgd dat onze gehele ontwikkeling behoorlijk harmonieus is verlopen. Stel u voor dat u kon dromen van verre reizen maar dat de natuur u vergat  benen te geven. Of dat u kon lopen als een gazelle, maar enkel om te ontsnappen aan uw vijand. Neen, wij, het sterk anti-entropisch zoogdier dat wij zijn, heeft doorgaans het lijf dat bij hem past. Wij zijn vrij. Of we willen het althans zijn. En ons lijf laat ons toe dat te zijn. Ik volg Malouf dus graag in zijn bewering dat het de routes zijn die tellen en niet de roots. Ulrich Libbrecht zou zeggen, de vrij energie van de mens is veel groter dan de vrije energie van een boom. Een boom kan zich hooguit wat buigen als het stormt. Daar houdt het op. Dat klopt. Veel initiatieven heb ik een boom nog niet zien nemen. Integendeel. Ik zou het eigenlijk wel op prijs stellen mocht de kastanje in mijn tuin ooit inzien dat hij zijn bladeren in de herfst beter aanhoudt in plaats van afwerpt. Het zou mij een pak opruimwerk besparen. In de lente moet hij er anders toch nieuwe maken. En hij zou het warmer hebben in de winter.

Maar waarom maakt het mij dan gelukkig om hier in Frankrijk een verbondenheid te voelen met Blankenberge? Waarom was mijn motivatie om dit hele plan te ondernemen groter omdat het om mijn geboortestad ging? Voor een stuk was ik meteen gewonnen voor het idee om de stad, die vooral gekend is om zijn massatoerisme, in dat ander daglicht te stellen. Blankenberge is meer dan boules de l’Yzer op het strand (dat zijn Berlijnse bollen voor de niet-Blankenbergenaars) en ijsjes. Getuige hiervan de rijk gevulde cultuuragenda en de vele cultuurverenigingen van de stad. Ze staan evenwel altijd in de schaduw van een toren aan frigoboxen.

Maar die uitleg volstaat niet. Het “geboren zijn in” speelt toch zijn rol. Sociologen en psychologen voeren aan dat we de veiligheid van de stam opzoeken. Vertoeven in een gekende omgeving verkleint de kans om door een onverwachte tijger verscheurd te worden. Ik kan me echter niet ontdoen van het gevoel dat telkens die specialisten met een argument voor de dag komen dat verwijst naar onze oertijd, ik me de bedenking maak dat ze er zo altijd gemakkelijk mee weg kunnen komen. Het klinkt plausibel, dus zal het ook zo wel zijn. Maar het is verdorie toch niet zo lang geleden dat wij nog dagelijks wakker lagen van loslopende tijgers. Ik weet het niet. De geboorteplek heeft een impact. Kijk in de ogen van de velen die de oorlog  ontvlucht zijn en hier onderdak zoeken en je zal de hunkering naar de heimat zien. Ook al ligt deze vol met landmijnen en bommen.

Ik merk evenwel dat zodra die territoriumdrift groteske vormen aanneemt, het pas behoorlijk fout gaat. Getuige de krantenartikelen van vandaag, gisteren en de dagen daarvoor. De vele recente aanslagen hebben te maken de groep uit het ene territorium die zich te lang vergeten van, of belaagd of onderdrukt heeft gevoeld door de ander. Die groteske vormen zijn wat mij betreft het gevolg van het misbruiken van die heimathunkering. Grootmachten misbruiken ze om hun geopolitieke spel te spelen. Wie zei vorige week ook al weer “America first”? En de vele kleintjes zoals België, die misbruiken onze stamdrift om politiek-economische redenen wat hetzelfde is als kortzichtig. We kunnen de boterhammen niet voor heel de wereld betalen, dus sluiten we onze grenzen zodat wij toch geen honger gaan lijden. Vergeet echter niet dat  deze redenering uiteindelijk terugvalt op de geheel toevallige gebeurtenis van waar je moeder besloot je ter wereld te brengen. Ze houdt, met andere woorden, geen steek.

Laat ons dus maar werk maken van het opwaarderen van onze voeten. De mens als reiziger. De mens die geen grenzen nodig heeft om zijn identiteit te beschrijven. ‘’Ego mundi civis esse cupio’’, zei Erasmus. Ik wil een burger van de wereld zijn, of eerder een pelgrim. Een pelgrim wandelt. Een pelgrim is een reiziger. Zoals ik dit deze week ben, samen met mijn vader. We plaatsten ondertussen reeds 20 lichtbakens. Mochten uw voeten beginnen kriebelen, volg het licht.

En Blankenberge, dat draag ik dan mee als een foto van een geliefde. Een herinnering aan een fijn moment.

De versie voor Katrien

Sarah zit boos in een hoek op de speelplaats. De handen gekruist voor haar buik. Boven haar anders zo blije ogen, een diepe frons. Ze is boos op Kareltje. Kareltje is nochtans haar vriend. Al sedert de eerste kleutertuin. Ze zaten samen aan dezelfde tafel. De rode. Zij waren de vrienden van de rode tafel, samen met nog een ander meisje, Pippa. En nu had Kareltje gezegd dat Sarah toch niet zo echt tot de groep behoorde als hijzelf en Pippa. De papa van Sarah was immers niet geboren in het dorp waar Sarah en Kareltje woonden. De papa van Sarah was geboren aan de zee en op een dag was hij gewoon in het dorp komen wonen met zijn vrouw, de mama van Sarah. Zij was hier wel geboren. De mama van Sarah was een echte. De papa van Sarah was “niet echt”. Sarah begreep het niet. Haar papa was toch wel echt? En hij woonde al heel lang in het dorp. Sarah wist wel van die mensen die soms eens op bezoek in het dorp komen. Ze komen om te fietsen. Dan blijven ze een hele week en gaan dan weer naar huis. Dat die geen echte zijn, dat kon ze nog begrijpen. Maar haar papa? Hij was hier al lang en zou hier altijd blijven. Dat dacht Sarah toch.

Pippa vond het niet fijn dat Sarah zo verdrietig was. Ze kwam Sarah troosten: “Sarah, je moet niet zo verdrietig zijn. Het is niet waar wat Kareltje zegt”.

“Toch wel”, zei Sarah, “Mijn papa is hier echt niet geboren. Dus hij is niet echt zoals Kareltje zegt”.

“Trek het je niet aan”, zei Pippa, “Kareltje zegt dit gewoon om je te plagen”.

Maar Sarah was niet te troosten. Ze bleef in de hoek van de speelplaats op de grond zitten met de handen voor haar buik  gekruist en de diepe frons in haar voorhoofd.

Na schooltijd ging ze met mama naar huis. Sarah was nog steeds verdrietig en boos. Ze ging naar haar kamer en ging met haar knuffels op bed liggen. De Eekhoorn en de Poortwachter, het waren haar liefste knuffels. De Poortwachter was eigenlijk een soldaat, maar omdat Sarah nooit oorlog speelde had ze van hem een bewaker gemaakt van haar prinsessenkasteel. Zo kon die pop ook altijd meespelen.

“Zie je wel”, mompelde Sarah tegen zichzelf, “die poortwachter is ook niet echt een poortwachter. Hij is een soldaat. Maar toch mag hij meespelen. Waarom mag ik dat dan niet?”

“Kareltje is trots op zijn papa”, zei de poortwachter plots.

Sarah kon haar ogen en vooral haar oren niet geloven. Sprak die pop nu tegen haar?

De poortwachter ging verder: “Gisteren stond de opa van Kareltje in de krant omdat hij 100 jaar was geworden. Kareltje’s opa is de oudste van het hele dorp. En gisteren ging de hele familie samen met de burgemeester op de foto om dat te vieren. In de krant stond geschreven: 100 jaar en een echte Zingemnaar. Daarom zegt Kareltje dat zijn opa echt is, en zijn papa ook en hij dus ook.”

Sarah wist niet dat de opa van Kareltje zo oud was. 100 jaar. Dat was pas echt heel oud!

De poortwachter zei: “Jouw papa is dan misschien geen echte Zingemnaar, maar  hij is wel een echte Blankenbergenaar. Hij komt van Blankenberge. Hij is van Blankenberge naar hier gereisd om hier te wonen. Dat is heel ver. Dus jouw papa is ook heel echt, een echte Blankenbergenaar en een echte reiziger. Hij is dan wel geen 100 jaar, maar hij heeft wel 100km ver gereden om hier te kunnen wonen. Dat is ook bijzonder.”

“En wij zijn echt van de rode tafel”, zei Sarah plots luidop. “Hier hebben we altijd al gezeten. Dat is echt waar. Wij zijn dus ook echt, evenveel. Het gaat er niet om van waar je komt.”

“Bravo!” zei de eekhoorn, “Je hebt het begrepen.”

Hé, spreekt die eekhoorn nu ook? Zijn die nu ook echt?

De lichtmeridiaan: 2. De romanticus en de cynicus

hayencourt

Is het u ook al opgevallen dat er vele parallelle werelden zijn waarin wij ons bevinden? Parallel aan wat u doet, doet iemand anders…iets anders. Nu zal u zeggen dat dit nogal evident is, maar feit is dat u met veel mensen waarmee u nauw verbonden bent, denk hierbij aan familie, vrienden en zeker collega’s, zich in dezelfde wereld bevindt. U leeft met uw gezin, u werkt met uw collega’s en u communiceert dan ook dagelijks met hen over het reilen en zeilen van deze respectievelijke werelden.  Op hetzelfde ogenblik doen mensen die u niet kent, net hetzelfde. U weet niet wat zich daar afspeelt. U staat daar niet echt bij stil omdat het niet echt belangrijk is en vooral omdat u deze mensen niet kent. U staat zelfs niet stil bij het feit dat in uw dorp of stad alleen al, al snel duizend mensen samen met u opstaan, hun tanden poetsen en ontbijten, net zoals u, maar dan toch anders. Maar maak nu heel even de korte denkoefening en vraag u af wat Leonardo Di Caprio gisteren deed terwijl u uw boodschappen deed. Of welke pyjama Barack Obama aantrok om te gaan slapen op het ogenblik dat u wakker werd. Dat is een echte parallelle wereld. U kent die mensen wel ergens van, maar staat niet stil bij wat ze echt dagelijks doen.

Ik schrok toen ik achter het stuur plaats nam van de camper die de komende week mijn thuis zou zijn voor de reis die ik met mijn vader zou aanvangen. Ik zette de radio aan en hoorde hoe een vluchteling zich had opgeblazen met een rugzak vol explosieven en metaal in de nabijheid van een muziekconcert. Hij vertegenwoordigde daarenboven het derde geval van zinloos geweld – bestaat er een andere soort?  – in Duitsland in amper enkele weken. Ik was niet op de hoogte. Ik had het nieuws niet gevolgd. Zelfs niet het ontwrichtende wereldnieuws dat ons continue teistert! De reden? Ik was te druk bezig met het organiseren en voorbereiden van dit onverwachte reisproject. Ik had mezelf zo’n 72 uur van de wereld afgesloten om alles te doen wat nodig was om deze reis te kunnen aanvatten. En ik wist dus niet wat er met de wereld ondertussen was gebeurd. Was ik onverschillig geworden voor wat echt belangrijk was? Neen, uiteraard niet, maar de vaststelling dat ik het wereldgebeuren aan mij had laten voorbij gaan, deed me opnieuw stil staan bij de relevantie van wat ik had ondernomen. Ik zou 48 kleine tuinlichtjes gaan plaatsen ergens in Frankrijk en hierbij uitroepen dat ik de wereld wou verbeteren? Hoe verhoudt zich dit tot de vele ernstig werkende wereldleiders en hun bekwaam personeel om de wereldproblematiek het hoofd te bieden? 48 plastic tuinlichtjes die eigenlijk amper lichtgeven. Wat is de relevantie hiervan? Maak ik me niet belachelijk?

De romanticus vindt deze onderneming zeer relevant. Als iedereen zijn schouders onder de wereld zet, dan kunnen we ze optillen, zo denkt hij. Daar heb je Atlas niet voor nodig. Hij gelooft in het goede in de mens, ook klopt de wiskunde niet helemaal. De spierkracht van alle gezonde mensen op deze planeet kan echt de Aarde niet optillen. De cynicus vindt het maar niets. Al die energie die hieraan wordt gewijd, is energie die niet kan aangewend worden iets echt nuttigs te doen. De wereld, en bij uitbreiding het Universum, is een min of meer gesloten systeem zo weet u wel, waar de wetten van de thermodynamica van toepassing op zijn. Er is maar zoveel energie als in het universum aanwezig is en er gaat niets verloren. Als u dus uw boterham met veel aandacht smeert, dan is die aandacht niet meer beschikbaar om een sudoku-puzzle op te lossen.

Wie van beiden heeft het bij het rechte eind?

De cynicus heeft minstens de thermodynamica aan zijn kant en dit kan toch wel tellen. De romanticus steunt echter, zonder dat hij het evenwel beseft, want romantici doen niet zo graag aan theorie, op een heel ander principe: de wet van anti-entropie, aan mij uitgelegd door professor Ulrich Libbrecht. De mens en haar hele soort handelt anti-entropisch. In normale taal gezegd: de mens handelt tegennatuurlijk. Daar waar de natuur naar totale chaos neigt – denk aan uw tuin die u bij het aanvang van de lente even geen aandacht geeft en in een schitterende wildernis verandert – zo probeert de mens altijd en overal structuur in te brengen. Zeg nu niet meteen dat ik misschien uw partner of kinderen niet ken – structuur en orde is hen misschien ook vreemd. Dit bedoel ik niet. Ook uw zeer slordige partner, collega of kinderen, streven naar orde. Met orde bedoelen we dan dat ze, zelfs in hun wanorde, structuur hebben. Er is de rommelhoek in de woonkamer en er is nog een tweede rommelhoek, in de slaapkamer. En de rommel uit de slaapkamer wordt zelden in de woonkamer gelegd. Dat is structuur. De mens denkt na, analyseert en organiseert. De mens vindt de elektrische auto uit, nadat hij eerste het wiel had bedacht en een pak andere tussenliggende uitvindingen gaande van het smelten van ijzererts tot het bedenken van de verzekeringspolis die een zelfrijdende auto moet dekken.

Het is op dit principe van anti-entropie dat het hele project van de 48 kleine lampjes steunt. Slechts een mens is in staat om op het van de pot gerukte idee te komen om 48 lampjes over een afstand van 1.200 km met een tussenafstand van 25 km doorheen Frankrijk te zetten op één denkbeeldige rechte lijn. Een gemiddelde koe is daar niet toe in staat. Een bonobo ook niet. Een mens wel. Maar de 48 lampjes veroorzaken wel het  een en ander. Een pak mensen glimlachen bij het observeren van dit idiote plan en laten er zelfs hun aardappelen voor op het vuur staan. Ze raadplegen met vaste regelmaat Facebook waar ze elk uur een nieuw lampje ontdekken ergens op een onbekende en vaak onbeduidende plek in het Franse landschap. Sommigen gaan nadenken, sommigen niet. Sommigen nemen zelf een foto van het lampje als er ze eentje vinden. En wie weet zal één van die ernstige wereldleiders zo aan een suggestie komen waar zijn medewerkers verder op kunnen werken. Het verhaal van de vlinder die flappert boven de Amazone en zo bij ons een orkaan veroorzaakt, weet u wel? Toch thermodynamica, hoor ik de cynicus al denken.

Een heel ingewikkeld betoog om u dus te vertellen dat ik, en ook mijn reisgenoot mijn vader, ons gesterkt voelen in onze onderneming, als we zien hoe u onze exploten volgt op het internet en hoe we dus volharden en morgen opnieuw een tiental lichtbakens, want zo noemen we onze tuinlichtjes graag, zullen uitzetten.

Morgen vertel ik echt iets over onze reis, beloofd, maar dit moest er toch even uit. Dank om ons te volgen.

De lichtmeridiaan – 1. voorwoord

2016-07-21 23.06.06

1

Dit is een reisverhaal. Een reisverhaal over een lichtstraal. Een lichtstraal die zich exact langs de lengtegraad  O 3°7’45” een weg baant van de Noordpool naar de Zuidpool. Het eerste deel van haar reis, zo’n stevige 4.000 km, reist het licht over de zee om in Europa aan land te komen op het strand van Blankenberge. Exact op de plaats waar de lichttoren van het casino staat. Je zou kunnen zeggen dat die plaats niet toevallig is. Als het verhaal over een andere lichtstraal, deze die over O 3°7’46” reist, had gegaan, dan had het licht het casino rakelings gemist en was het verhaal wellicht zo spannend niet geweest. Feit is echter dat het casino niet bepalend was voor de keuze van de lichtstraal, maar wel een plek ergens in het binnenland, in Roeselare. Daar besluit een handelaar in modern design iets origineels te doen met een stuk grond dat hij bezit. Hij besluit er een museum op te zetten: Muze’um L. De lengtegraad waarop dit museum ligt is O 3°7’45”. Hij vraagt de architect van zijn museum om het gebouw zo te ontwerpen dat, als de zon op haar hoogste punt boven het museum hangt, er een lichtstraal valt op de meridiaan van het museum. De lichtmeridiaan was geboren.

Een lichtstraal stopt echter niet bij de randen van het gebouw, zelfs niet bij de randen van het perceel waarop het gebouw staat. Licht is vrij en baant zich een weg overal doorheen en dus ook tot op het strand van Blankenberge.

De lichtstraal raakt niet alleen het casino, maar ook het hart van een plaatselijke bestuurder van de stad. De handelaar en de bestuurder vinden elkaar op het pad van het licht en bewijzen hun stelling dat licht verbindt. Deze vaststelling en het feit dat de wereld nood heeft aan verbindende ingrediënten, doen hen besluiten om de lichtmeridiaan aan te wenden  om de wereld te helpen, misschien zelfs te redden.

2

Wat is licht?

Licht is een elektromagnetische straling. Het is het deel straling dat we met ons blote oog kunnen waarnemen, van het warme infrarood tot het gevaarlijke ultraviolet. Straling is de wijze waarop energie, in ons geval voor 99% afkomstig van de zon, zich manifesteert. En energie is alles. Energie is leven. Licht is energie die ons mogelijk maakt te leven.

Energie en licht zijn neutraal en altijd voor iedereen beschikbaar. Tenzij je ergens onder de grond of in een kerker vast zit, heb je altijd licht ter beschikking. Het is het enige universele levensbelangrijke element dat zich niet beperkt tot de ontwikkelde wereld. Overal, ook daar waar hongersnood en oorlog heerst, is er licht en dus energie. Beschikbaar voor iedereen, ongeacht levensbeschouwing, taal, ras, of maatschappelijke status.

Reizen met het licht is dus bij uitstek het geschikte medium om mensen te verbinden.
En dat verbinden hebben we nodig. De wereld lijkt vandaag op een brownie – het is het beeld dat me plots te binnen schiet, ook al eet ik eigenlijk geen brownies – die te lang op tafel heeft gelegen, uit de verpakking. De substantie is aan het uitdrogen. De chocolade wordt met de dag meer korrelig en zodra je de brownie ook maar beroert, beginnen er stukken af te vallen. Een goede brownie heeft een smeuïge kern van bijna vloeibare chocolade die alles bij elkaar houdt. We moeten opnieuw die kern smeuïg maken. De wereld moet terug meer vloeibaar worden voor ze helemaal verbrokkelt.

We reizen om te leren, zo wordt ons vaak voorgehouden. Die boutade is echter de basis van verdeeldheid. Ze houdt in dat de reiziger iets ontdekt. Hij of zij leert iets nieuws. Het is nieuw omdat het bij de reiziger onbekend was. De wereld van de reiziger is dus het onbewuste referentiekader waardoor wat de reiziger ervaart, hij als als nieuw gaat beschouwen. Dat onbewuste referentiekader is nu net zo verraderlijk. Wat je kent, is reeds aanvaard. Wat je niet kent, is dat nog lang niet. Wie reist om te leren, maakt de facto een onderscheid tussen wij en zij. Er is de reiziger en er is de ander. In het beste geval is de reiziger open van geest en laat hij al het nieuwe binnen. In het minder goede geval is hij tolerant, wat betekent dat hij het vreemde toelaat in zijn wereld, die hij evenwel als de norm beschouwt, anders zou hij niet tolerant kunnen zijn. Hij laat een afwijking toe op wat hij normaal vindt. De tolerante reiziger plaatst zijn norm moreel boven de andere. In het slechtste geval bestrijdt hij het nieuwe en probeert hij het onbekende om te vormen naar wat hij weet, naar waar hij bij zweert. Hij evangeliseert zijn waarheid. Hij verwijdert elke afwijking.

Wie echter reist met het licht is niet open van geest, maar neutraal. Je zou kunnen zeggen, onverschillig. Maar ik verkies neutraal. Dat klinkt minder negatief. Onverschillig is echter wel het juiste begrip. On-verschil. Geen verschil. De zon is van iedereen. En iedereen is van de zon. Dat zeiden de hippies van weleer ook, maar die maakten de fout hun zonne-inzicht te gebruiken om zich af te zetten tegen kapitalisme en materialisme. Plots was de zon toch niet meer voor iedereen gelijk.

Maar we houden het op neutraal. Wat de zonnereiziger ontdekt, beschouwt hij evenwaardig aan wie of wat hij zelf is. Het is gewoon anders. Reizen met het licht is meer dan leren, het is ervaren en beleven. De zon schijnt niet alleen op jou, maar ook op de boom waartegen je leunt om even uit te blazen. Soms ben je één met de boom. Reizen met het licht  is samenvallen met de omgeving.

3

Een vader en een zoon zijn op weg om de zoon van de zoon, de kleinzoon dus, op te halen op een plek in het buitenland. Dat is het reisdoel. De kleinzoon is met vakantie bij vrienden, zo’n 1.300 km ver weg, in Spanje. Heel toevallig bevindt de kleinzoon zich op exact  O 3°7’45”.  De vader van de vader, de grootvader dus, en de kleinzoon, dragen allebei exact dezelfde naam. We zullen ze hier allebei F noemen. F staat voor de grootvader, f staat voor de kleinzoon. De kroniekschrijver van deze reis is de zoon van F. Dat ben ik. Mijn naam begint niet met een f. Maar we wijken af. Wat je moet weten, is dat ze weg van lichtstraal zullen volgen om hun reisdoel te bereiken. Ze reizen vijf dagen lang langs O 3°7’45”.

Tot slot is er nog één element dat van belang is vooraleer het reisverhaal kan starten: we zullen de reis aan een gemiddelde snelheid van 40 km/u afleggen. Dit zorgt ervoor dat we het verhaal überhaupt kunnen vertellen. Mochten we aan de snelheid van het licht reizen, dan waren we reeds voor het eerste woord van de eerste paragraaf was neergepend, op onze bestemming. Dan zou dit verhaal zelfs de lengte van een haiku niet halen en zouden we dus weinig te vertellen hebben. In dit verhaal is de lichtsnelheid dus 40 km/u. Dat betekent heel wat als u de relativiteitstheorie van Einstein kent.

Maar goed, laat ons de reis aanvatten en op zoek gaan naar  de mogelijkheden tot verbinding. Op weg langs O 3°7’45”. De vader, de zoon en de kleinzoon.

Zoals ik al zei, Drievuldigheid.

*Citaatfragment van Zhuangzi; chinees wijsgeer. De uitdrukking verwijst naar het feit dat je eerst een leeftijd moet bereiken om het inzicht dat door de ervaring ontstaat, te kunnen begrijpen.

Foto: het licht komt op 21 juli 2016 aan land in Blankenberge.

 

De Gele Ballon

http://www.prentenboek.nl/wp-content/uploads/2015/01/gele-ballon1.jpg

Geconcentreerd speurt ze elk plaatje zeer nauwgezet af, zoekend naar een gele ballon. In overvolle tekeningen zit hij diep verstopt. Op elke pagina van het boek is er een ballon aanwezig. Het lezen van dit boek, is de zoektocht naar de ballon. En zoals dat gaat met tochten, is het de weg naar het doel die het zo boeiend maakt. Haar ogen zweven over de tekeningen. Ze ontdekt dat de vele personages in de tekeningen ook allemaal een verhaal hebben dat duidelijker wordt naarmate je steeds verder bladert en zoekt. Ze kirt het uit als ze uiteindelijk het ronde gele ding gevonden heeft. Ze slaat het blad om en gelukkig kan ze opnieuw haar zoektocht herbeginnen en de wondere levens van al wie in het boek leeft, van dichtbij ervaren. Ze is vijf en zit op een stoel, al meer dan een uur op een wijndegustatie, waar haar ouders haar mee naartoe gesleurd hebben. Gelukkig had de wijnhandelaar dit schitterende boek klaarliggen voor haar: De Gele Ballon.

Ze is ons dochter.

Onderweg naar de wijnproeverij waren mijn gedachten gevuld met ontgoocheling en leegte. Enkele uren ervoor waren er weer onschuldige slachtoffers gevallen ergens ter wereld. En het feest dat het voetbal moest geworden zijn, leek ook al meteen de toestand van de wereld te weerspiegelen. Die wereld lijkt geen antwoord te hebben op de vraagstukken die op tafel liggen. Ik betrapte mezelf er opnieuw op dat mijn ongeloof in het vinden van oplossingen weer de kop op stak. Fatalisme. Daarom wou ik het afgelopen jaar niet meer schrijven. De vele jaren managementadvies en enkele jaren werken met en voor onze beleidsorganen hadden mijn idealisme en naïviteit van weleer behoorlijk vernietigd. Maar als de wortels stuk gaan, dan sterft ook de plant. Wat baat het om in de graskant te zitten en te kijken naar diegenen die de inspanning leveren? Ik voelde dat ik me opnieuw ging neervleien in die graskant, en dat op een ogenblik dat een nieuw verhaal moest geschreven worden.

We reden naar huis met een koffer vol wijn, zonder verhaal. De graskant kwam steeds dichterbij. “Schrijf iets over die ballon”, zei mijn vrouw en ze toonde opnieuw aan dat ze op het juiste moment de juiste tip kon geven. Ik bedacht dat als de oplossing zo moeilijk te vinden is als het zoeken van een gele ballon, dan kan het niet anders dan boeiend worden. En mijn dochter had bewezen dat het kon.

Een klein jaar geleden liet ik me in met een gezelschap dat zich rond professor Ulrich Libbrecht had geschaard. Het levenswerk van professor Libbrecht, vele jaren emeritus ondertussen, betreft het zoeken naar een manier om de vele culturen die onze wereld bevolken een plek te kunnen geven zonder dat de ene zich superieur gaat gedragen ten opzichte van de andere. Zijn wereld is de wereld van de comparatieve filosofie. Actueler kan het niet. Ik volgde in een ver verleden les bij Libbrecht. Hij had het vaak over die graskant en hoe we de keuze hadden om erin te gaan zitten of niet. Hij inspireerde me tot het schrijven van een boekje “de Kikker”. Nu werd ik opnieuw in de wereld van Libbrecht getrokken. Mijn managementkennis wordt nu aangewend om een losse groep vrijwilligers tot een waar Libbrechtgenootschap om te vormen. Een genootschap dat zich tot doel stelt om de visie van Ulrich Libbrecht, zoals dat heet verder te ontsluiten zodat we de wereld een beetje meer begripvol en empathisch zouden maken. Het genootschap laat me toe opnieuw wat idealist te zijn.

Ik volg het voorbeeld van mijn dochter en ga met het Libbrechtgenootschap zoeken naar die gele ballon. Alleen dat kirren lukt nog niet.

Met dank aan:

  • Joost voor de wijn
  • Els voor het boek De Gele Ballon (Charlotte Dematons)
  • Mijn vrouw voor de tip
  • Mijn dochter om het voorbeeld te geven

Spelletje

boardgames

Voor hem, op het tapijt, zit zijn dochter haar spel te spelen. Voor de twintigste keer deze ochtend. Denkt hij. Hij is de tel kwijt geraakt. Ze kent ondertussen de spelregels als geen ander, weet ook hoe het spel gaat eindigen. Ze speelt het spel nu met twee beren en met wat moet doorgaan voor een oranje onbenoembare prehistorische knuffel. “Hoe verzinnen ze die beesten?”, denkt hij. “Hoe ziet zo’n brainstorming eruit? En vooral, welke voorstellen hebben de naaitafel niet gehaald?”.

De knuffels nemen zijn plaats in. Na vijf keer had hij het wel gehad. Hij heeft zijn leeftijd tegen om telkens weer opnieuw enthousiast het spel te herbeginnen zoals zijn dochter dat nog kan. Je leert veel af naarmate je ouder wordt.

Of toch?

Gisterenavond kwam hij afgepeigerd terug uit de televisiestudio. Weer eens had hij het opnieuw mogen uitleggen aan de journalist. Waarom het probleem binnen zijn bevoegdheidsdomein opnieuw was opgelaaid en nu zelfs op ontploffen stond? Ook daar had hij het gevoel gehad in een spel terecht te zijn gekomen dat hij ook al twintig keer had gespeeld. Journalist, beleidsmaker en zijn opponent, samen rond één tafel, in een ondertussen een gekend vast tijdslot, pratend volgens een onuitgesproken maar vastgelegde debatmethode. Het resultaat van het gesprek is meestal op ook voorhand gekend, die ene uitzondering niet meegerekend dat er eens iets onverwachts in de studio gebeurt. Dat gebeurt met zijn dochter ook, als ze viermaal na elkaar dezelfde getallen dobbelt op het spelbord.

Allen zijn ze daarenboven tegenwoordig opgeleid om het spel te spelen. Mediatraining heet zoiets. Wie dit niet gevolgd heeft, is geen professional. Het debat is dus een spel dat zendtijd vult omdat er geen geld voor waardevolle uitzendingen meer is. Het debat is een bordspel. Geen schaakspel waar je nog met enige spanning naar kunt zitten kijken, maar mens erger je niet. Achter elkaar aan huppelen en de andere van het bord proberen duwen.

Hij weet dit. De anderen in de studio weten dit ook. Geen van hen had echter de ambitie om professionele mens-erger-je-niet-speler te worden. Had je het hen gevraagd tijdens hun studietijd, dan kreeg je ambities en idealen te horen, maar geen pionnetjesverplaatser, integendeel. Ze zouden dit zelfs bekampen.

Zijn dochter heeft zonet het spel opnieuw uitgespeeld. Het beest met de onbenoembare vorm heeft dit keer gewonnen. Een onbestaande winnaar. Misschien, zo schiet het hem te binnen, moeten ze even niet meer debatteren maar samen brainstormen over die onbestaande winnaar. Zoeken naar dat oranje beest dat nu nog aan de verbeelding ontsnapt. De fundamenten welvaarstaat in vraag stellen. Nu de gedachte hem zo overvalt, voelt hij plots terug die energie die hem aan zijn beginjaren doet herinneren. Toen hij nog idealen had en overtuigd was dat hij ze zou realiseren. Hij heeft het telefoonnummer nog van die journalist en zijn opponent.

Zou hij hen bellen om eens van gedachten te wisselen?

Zijn dochter begint aan spelletje 21. Of gaat hij dat ook doen?

Brand het licht nog?

11116405265fc9882795a146df9d53e5

Brandt het licht nog op dit uur? Jij, die vroeger veel en laat las. Brandt het licht nog?

Het is laat. Het leven heeft de straat verlaten en laat zich slechts in strepen vanachter gordijnen en blinden zien. La vie rayée. Streepjes leven op het trottoir. Plato in schijfjes. Flarden werkelijkheid. Onvolledige vormen die het mogelijk maken ze in gedachten te vervolledigen. Zintuigen aangevuld met gedachten.

Hij wandelt door de stad. Achter elk raam een tafereel. Hij kijkt naar de strepen voor zijn voeten en vult ze in gedachten aan. Onvolkomenheden vervolmaakt. De kracht van het denken. Wie zou daar zitten? Voor de tv? In de zetel? Lezend? Fantasie op zoek naar een anker.

Het beeld houdt hem vast en zet hem aan tot schrijven. De pen is roestig, de inkt wat droog. De gedachten dringen zich naar voor, nu ze eindelijk een opening zien. Een weg naar buiten, een weg naar een lezer. De lezer. De lezer, die ’s avonds bij het licht dat de werkelijkheid in schijfjes verdeelt, de gedachten opneemt en de puzzel terug samenstelt tot één geheel.

Communicatie tussen schrijver en lezer in schijfjes van licht en gedachten. Slechts als het licht brandt op dit uur.

Vrachtwagen

vrachtwagenIk zag hem van ver. Aan de rand van de weg stond hij daar gestrand met pech. Hij stond er al een hele tijd, te zien aan de staat waarin hij zich bevond.  De ramen waren stuk, de wielen waren verwijderd. Rijm op het koetswerk. Het was vroeg in de ochtend.

De hand van het jongetje dat deze vrachtwagen had bewogen, was reeds lang verdwenen. Verdwenen de kracht die de vrachtwagen tot leven bracht. Verdwenen de wereld die met de vrachtwagen openging. Verdwenen het jongetje.

Was hij ondertussen een man? Het model van het autootje deed vermoeden van wel. De vrachtwagen was met het jongetje oud geworden. Dacht hij nog aan de dromen die hij toen had? Heeft hij ze gerealiseerd of liet hij ze achter bij het wagentje aan de rand van de weg?

De vrachtwagen aan de rand van de weg vroeg het mij. Vergeten dromen verzamelden zich in de laadbak van het voertuigje. Voor mij de speelgoedautootjes die ik zo vaak in een rij zette op de trede van onze huiskamer. Ik wist niet dat ik toen profetisch de eerste file etaleerde. De autootjes werden Lego-stenen, waar innovatie toegepast werd voor het was uitgevonden. Lego werd een eerste computer, de toegang tot een virtuele wereld vol fantasie. En dan stopte de verbeelding. Studeren werd werk. Werk werd geld. Geld werd…? Wat werd ik?

Ik lachte bij het idee dat ik nu zo’n anderhalve minuut stil stond in de kou, kijkend naar een kapot speeltuigje langs de rand van het winters weiland waar ik mijn ochtend zo vaak begon.

Ik vervolgde mijn wandeling en een droom verscheen aan de horizon. Het jongetje lachte.

Bril

Afbeelding1Geconcentreerd staat hij zorgvuldig zijn bril schoon te maken. Zodadelijk “moet hij op”. Het behoort bijna tot zijn dagelijkse routine om een menigte toe te spreken. Dit keer is het publiek een buitenlandse delegatie afkomstig van bevriende Europese universiteitssteden. Hij is burgemeester.

De rector van onze universiteit is nu aan het woord. Hij heeft haar ingeleid. Ze heet de bezoekers met een innemende glimlach welkom. Het is het begin van een week uitwisseling van ervaringen aangaande het gemeenschappelijk gebruik door overheid, studenten en burgergs van publieke ruimtes in een universiteitsstad.

Hij wacht. En gaat grondig te keer met zijn bril. Het is niet het soort handeling dat je doet omdat je even met je handen geen blijf weet. Hij kwijt zich zorgvuldig van zijn taak. Iets wat je eerder op een zaterdagochtend verwacht. Een klusje dat nu eenmaal wekelijks moet gebeuren. Zoals het buiten zetten van de vuilnisbakken. Daarom valt het me op. De grondigheid, de inspectie tussendoor van de effectiviteit van zijn reiniging. Tevreden zet hij zijn bril op. De laatste paragraaf van de rector is net ingezet. Rectoren speechen van blad, zoals de meeste officials.

Ik denk dat het hem niet om de bril te doen was, maar om het ritueel. Het ritueel van de acteur voor hij het podium betreedt. Een handeling die hem brengt waar hij mentaal moet zijn om straks overtuigend zijn verhaal te brengen. Als je het zo bekijkt, is het een mooi gebeuren, veel meer dan een schoonmaakklus. Rituelen hebben hun belang. Ze brengen een vorm van rust en mentale focus. Ze zijn soms carnavalesk en in tijden waar innovatie met een grote I wordt geschreven, zelfs een anachronisme. Maar omwille van die onbewuste referentiewaarde zijn ze essentieel voor iedereen die met verandering bezig is of verandering ondergaat. Het is dan ook een kunst om te weten wat moet veranderd worden en wat niet. Misschien helpen rituelen daar wel bij.

Straks gaan de meesten onder ons heel bewust een rituele handeling treffen. Het familiale bijeen zijn rond een spar die vol gehangen wordt met glazen ballen, slingers en lichtjes. Velen onder ons staan niet stil bij de religieuze context van het gebeuren. We weten wel van die stal, we zetten soms zelfs nog de poppetjes, en de die-hards laten de koningen nog even achter het muurtje van de maquette staan tot 6 januari. We beleven het verhaal dat eraan verbonden is ondertussen anders. En toch zitten we daar met z’n allen. En we weten allemaal dat het één van die fijne momenten in het jaar zal zijn waar we naar uit kijken. Een waardevol moment dat we graag koesteren.

Ik wens u fijne eindejaarsdagen toe. En de burgemeester, een nieuw setje schoonmaakdoekjes.

Zand

klinkers

Ik heb een nieuw terras. En dat net nu de winter voor de deur staat. Niet dat ik echt verwacht dat de temperaturen van de afgelopen dagen nog verder zullen stijgen, maar een nieuw terras moest er komen. Omdat het oude opgebroken werd. Op bevel van mijn lokale overheid, ons dorpsbestuur. Deze laatsten investeren sedert enkele jaren in een gescheiden rioleringsstelsel en hierdoor moeten alle burgers hun riolering ook aanpassen. Terras open, nieuwe buizen erin. Enfin, er ligt hier dus sedert enkele dagen een spiksplinternieuw nieuw terras. Althans, zo vermoed ik toch, want momenteel heb ik eerder het gevoel aan strand van onze Vlaamse kust te zitten. Overal zand.

 
“Da moet, menier, anders komme ui stiene los”. De man die mijn terras gelegd heeft kwam uit Antwerpen. Zijn medewerkers uit Polen. Hun Engels was fatsoenlijker dan zijn Vlaams.

 
Maar over dat zand wou ik het hebben. De kieren van mijn terrasklinkers moeten dus gevuld geraken met zand omdat mijn terras solide zou kunnen worden. Overal zand, van de garage, veel, tot in de slaapkamer, nog steeds teveel. Zand laat zich niet commanderen. Het gaat waar het wil. En volgens mijn Antwerpse vakman helpt vegen niet, integendeel. De natuur moet zijn ding kunnen doen. Wind en regen moeten de zandkorrels brengen waar het nodig is. De moderne mens is het niet meer gewoon dat de natuur het beter weet. Wat kan er nu fout zijn aan wat vlijtig vegen? Efficiënt, geen korrel te veel, geen korrel te weinig.
Ik heb het geprobeerd, zodra hij terug naar Antwerpen was. Met enige trots keek ik naar mijn geveegd terras, om de dag nadien overal spleten te zien. Had ik nu te veel of te weinig geveegd? Logica kon ik niet vinden. De plaatsen waar ik niet geveegd had, lagen er mooi gevuld bij. Beetje morsig, maar gevuld. Mijn geoptimaliseerd stukje was niet om aanzien. Gaten al om.

 
En dit is dan wat ik denk als ik naar het nieuwe terras kijk. Over-optimalisatie, over-efficiëntie, over-effectiviteit, haarscherpe processen, ze behoren tot de natte droom van de professionele manager. Maar het werkt voor geen meter. Mensen, want dat zijn al onze instellingen: een verzameling mensen, laten zich niet optimaliseren. Wie denkt dat dit kan, leeft in een waanbeeld. Mensen zijn als zand. Ze gaan waar ze willen, of je het nu leuk vindt of niet. En zoals het zand, weten ze ook waar ze moeten zijn, doorgaans weten ze het even goed als jij, veel management heb je daar niet voor nodig. En als je ze forceert, dan gaan ze kapot. Want daar verschillen mensen van zand. En mens wacht niet tot de wind hem verplaatst, de mens verplaatst zichzelf. Zodra dat niet mogelijk is, loopt het fout. Zand is geduldiger en blijft wachten. Mensen niet.

 
Laat uw mensen hun ding doen. Als je ze goed gerekruteerd hebt, dan weten ze wat hen te doen staat. Loop niet in de weg, zet in het beste geval een wegwijzer, maar bedenk, de weg is wijzer dan de wegwijzer (vrij naar Prof. Em. Ulrich Libbrecht).

 
Zou dat onze productiviteit niet verbeteren? Beetje minder managen en meer werken?

 

Met dank aan mijn terras maar vooral ook aan mijn all-time hero Ricardo Semler, die onverwacht op het World Creativity Forum van Flanders DC was. Het hoogtepunt van het congres.

Kapelletje

kapelletjeIk sta, zoals wel vaker gebeurt vandaag langs Vlaamse wegen, voor een mobiel rood licht ter hoogte van een straatwerf. De werf is pakweg honderd meter lang. Ik zie het andere mobiele rood licht, dat op groen zou moeten staan, voor me. Daarachter een lange rechte lege weg. De werf is onbemand. Er wordt vandaag niet gewerkt. Ik sta dus stil, alleen, op een klein landelijk weggetje. Nutteloos, maar omdat het moet. Omdat ik geleerd heb te stoppen als het rood is. Ook al is dit zo absurd. Alleen, op een landweg.

Mijn stilstand biedt me echter de kans om een piepklein kappelletje op te merken met daarin een Mariabeeldje. Het kappelletje is eerder een bakstenen poppenhuisje, anderhalve meter hoog. Ervoor ligt een kransje verse bloemen. Ik schrik van de minzame glimlach die op mijn gelaat verschijnt. Vroeger zou ik dergelijke bakstenen poppendevotie als belachelijk hebben afgedaan. Wie verspilt nu zijn geld om op eenzame weg, voor een pop bloemen te leggen? En wie bouwt zoiets? Wie getroost zich deze moeite?

Het antwoord ligt in de vraag: wie getroost wil worden, of wie wil troosten. Dat denk ik vandaag. Het heeft misschien te maken met ouder worden, hoewel ik er niet geloviger op geworden ben, integendeel. Het gebaar met de bloemen stemt me mild. Het belang van het ritueel. Een moment van contemplatie. Wie de bloemen daar neerlegde, dacht wellicht aan iets of iemand. Iemand die er niet is. Iemand die niet meer tot de dagelijkse af te werken agenda behoort. Een moment gewoon niets doen. To do-lijstjes loslaten en bloemen neer leggen. Stilstaan in het nu. Het is zelfs een beetje modieus met al dat gemindfulness.

Het nutteloze rode licht waar ik voor sta, geeft me de kans om dit te bedenken. Stil te staan bij de waan van dag waar ik naartoe onderweg ben.

Misschien dan toch niet nutteloos dat rode licht en die verlaten werf. Hoewel ik niet wens dat mijn stukje een inspiratie wordt voor onze mobiliteitsminister om overal mobiele verkeerslichten neer te planten. Maar toch. Als ze dat kappelletje nu maar mooi laten staan. Die mannen van de werf.

Met dank aan diegene die de bloemen neerlegde.