Spelletje

boardgames

Voor hem, op het tapijt, zit zijn dochter haar spel te spelen. Voor de twintigste keer deze ochtend. Denkt hij. Hij is de tel kwijt geraakt. Ze kent ondertussen de spelregels als geen ander, weet ook hoe het spel gaat eindigen. Ze speelt het spel nu met twee beren en met wat moet doorgaan voor een oranje onbenoembare prehistorische knuffel. “Hoe verzinnen ze die beesten?”, denkt hij. “Hoe ziet zo’n brainstorming eruit? En vooral, welke voorstellen hebben de naaitafel niet gehaald?”.

De knuffels nemen zijn plaats in. Na vijf keer had hij het wel gehad. Hij heeft zijn leeftijd tegen om telkens weer opnieuw enthousiast het spel te herbeginnen zoals zijn dochter dat nog kan. Je leert veel af naarmate je ouder wordt.

Of toch?

Gisterenavond kwam hij afgepeigerd terug uit de televisiestudio. Weer eens had hij het opnieuw mogen uitleggen aan de journalist. Waarom het probleem binnen zijn bevoegdheidsdomein opnieuw was opgelaaid en nu zelfs op ontploffen stond? Ook daar had hij het gevoel gehad in een spel terecht te zijn gekomen dat hij ook al twintig keer had gespeeld. Journalist, beleidsmaker en zijn opponent, samen rond één tafel, in een ondertussen een gekend vast tijdslot, pratend volgens een onuitgesproken maar vastgelegde debatmethode. Het resultaat van het gesprek is meestal op ook voorhand gekend, die ene uitzondering niet meegerekend dat er eens iets onverwachts in de studio gebeurt. Dat gebeurt met zijn dochter ook, als ze viermaal na elkaar dezelfde getallen dobbelt op het spelbord.

Allen zijn ze daarenboven tegenwoordig opgeleid om het spel te spelen. Mediatraining heet zoiets. Wie dit niet gevolgd heeft, is geen professional. Het debat is dus een spel dat zendtijd vult omdat er geen geld voor waardevolle uitzendingen meer is. Het debat is een bordspel. Geen schaakspel waar je nog met enige spanning naar kunt zitten kijken, maar mens erger je niet. Achter elkaar aan huppelen en de andere van het bord proberen duwen.

Hij weet dit. De anderen in de studio weten dit ook. Geen van hen had echter de ambitie om professionele mens-erger-je-niet-speler te worden. Had je het hen gevraagd tijdens hun studietijd, dan kreeg je ambities en idealen te horen, maar geen pionnetjesverplaatser, integendeel. Ze zouden dit zelfs bekampen.

Zijn dochter heeft zonet het spel opnieuw uitgespeeld. Het beest met de onbenoembare vorm heeft dit keer gewonnen. Een onbestaande winnaar. Misschien, zo schiet het hem te binnen, moeten ze even niet meer debatteren maar samen brainstormen over die onbestaande winnaar. Zoeken naar dat oranje beest dat nu nog aan de verbeelding ontsnapt. De fundamenten welvaarstaat in vraag stellen. Nu de gedachte hem zo overvalt, voelt hij plots terug die energie die hem aan zijn beginjaren doet herinneren. Toen hij nog idealen had en overtuigd was dat hij ze zou realiseren. Hij heeft het telefoonnummer nog van die journalist en zijn opponent.

Zou hij hen bellen om eens van gedachten te wisselen?

Zijn dochter begint aan spelletje 21. Of gaat hij dat ook doen?

Brand het licht nog?

11116405265fc9882795a146df9d53e5

Brandt het licht nog op dit uur? Jij, die vroeger veel en laat las. Brandt het licht nog?

Het is laat. Het leven heeft de straat verlaten en laat zich slechts in strepen vanachter gordijnen en blinden zien. La vie rayée. Streepjes leven op het trottoir. Plato in schijfjes. Flarden werkelijkheid. Onvolledige vormen die het mogelijk maken ze in gedachten te vervolledigen. Zintuigen aangevuld met gedachten.

Hij wandelt door de stad. Achter elk raam een tafereel. Hij kijkt naar de strepen voor zijn voeten en vult ze in gedachten aan. Onvolkomenheden vervolmaakt. De kracht van het denken. Wie zou daar zitten? Voor de tv? In de zetel? Lezend? Fantasie op zoek naar een anker.

Het beeld houdt hem vast en zet hem aan tot schrijven. De pen is roestig, de inkt wat droog. De gedachten dringen zich naar voor, nu ze eindelijk een opening zien. Een weg naar buiten, een weg naar een lezer. De lezer. De lezer, die ’s avonds bij het licht dat de werkelijkheid in schijfjes verdeelt, de gedachten opneemt en de puzzel terug samenstelt tot één geheel.

Communicatie tussen schrijver en lezer in schijfjes van licht en gedachten. Slechts als het licht brandt op dit uur.

Vrachtwagen

vrachtwagenIk zag hem van ver. Aan de rand van de weg stond hij daar gestrand met pech. Hij stond er al een hele tijd, te zien aan de staat waarin hij zich bevond.  De ramen waren stuk, de wielen waren verwijderd. Rijm op het koetswerk. Het was vroeg in de ochtend.

De hand van het jongetje dat deze vrachtwagen had bewogen, was reeds lang verdwenen. Verdwenen de kracht die de vrachtwagen tot leven bracht. Verdwenen de wereld die met de vrachtwagen openging. Verdwenen het jongetje.

Was hij ondertussen een man? Het model van het autootje deed vermoeden van wel. De vrachtwagen was met het jongetje oud geworden. Dacht hij nog aan de dromen die hij toen had? Heeft hij ze gerealiseerd of liet hij ze achter bij het wagentje aan de rand van de weg?

De vrachtwagen aan de rand van de weg vroeg het mij. Vergeten dromen verzamelden zich in de laadbak van het voertuigje. Voor mij de speelgoedautootjes die ik zo vaak in een rij zette op de trede van onze huiskamer. Ik wist niet dat ik toen profetisch de eerste file etaleerde. De autootjes werden Lego-stenen, waar innovatie toegepast werd voor het was uitgevonden. Lego werd een eerste computer, de toegang tot een virtuele wereld vol fantasie. En dan stopte de verbeelding. Studeren werd werk. Werk werd geld. Geld werd…? Wat werd ik?

Ik lachte bij het idee dat ik nu zo’n anderhalve minuut stil stond in de kou, kijkend naar een kapot speeltuigje langs de rand van het winters weiland waar ik mijn ochtend zo vaak begon.

Ik vervolgde mijn wandeling en een droom verscheen aan de horizon. Het jongetje lachte.

Bril

Afbeelding1Geconcentreerd staat hij zorgvuldig zijn bril schoon te maken. Zodadelijk “moet hij op”. Het behoort bijna tot zijn dagelijkse routine om een menigte toe te spreken. Dit keer is het publiek een buitenlandse delegatie afkomstig van bevriende Europese universiteitssteden. Hij is burgemeester.

De rector van onze universiteit is nu aan het woord. Hij heeft haar ingeleid. Ze heet de bezoekers met een innemende glimlach welkom. Het is het begin van een week uitwisseling van ervaringen aangaande het gemeenschappelijk gebruik door overheid, studenten en burgergs van publieke ruimtes in een universiteitsstad.

Hij wacht. En gaat grondig te keer met zijn bril. Het is niet het soort handeling dat je doet omdat je even met je handen geen blijf weet. Hij kwijt zich zorgvuldig van zijn taak. Iets wat je eerder op een zaterdagochtend verwacht. Een klusje dat nu eenmaal wekelijks moet gebeuren. Zoals het buiten zetten van de vuilnisbakken. Daarom valt het me op. De grondigheid, de inspectie tussendoor van de effectiviteit van zijn reiniging. Tevreden zet hij zijn bril op. De laatste paragraaf van de rector is net ingezet. Rectoren speechen van blad, zoals de meeste officials.

Ik denk dat het hem niet om de bril te doen was, maar om het ritueel. Het ritueel van de acteur voor hij het podium betreedt. Een handeling die hem brengt waar hij mentaal moet zijn om straks overtuigend zijn verhaal te brengen. Als je het zo bekijkt, is het een mooi gebeuren, veel meer dan een schoonmaakklus. Rituelen hebben hun belang. Ze brengen een vorm van rust en mentale focus. Ze zijn soms carnavalesk en in tijden waar innovatie met een grote I wordt geschreven, zelfs een anachronisme. Maar omwille van die onbewuste referentiewaarde zijn ze essentieel voor iedereen die met verandering bezig is of verandering ondergaat. Het is dan ook een kunst om te weten wat moet veranderd worden en wat niet. Misschien helpen rituelen daar wel bij.

Straks gaan de meesten onder ons heel bewust een rituele handeling treffen. Het familiale bijeen zijn rond een spar die vol gehangen wordt met glazen ballen, slingers en lichtjes. Velen onder ons staan niet stil bij de religieuze context van het gebeuren. We weten wel van die stal, we zetten soms zelfs nog de poppetjes, en de die-hards laten de koningen nog even achter het muurtje van de maquette staan tot 6 januari. We beleven het verhaal dat eraan verbonden is ondertussen anders. En toch zitten we daar met z’n allen. En we weten allemaal dat het één van die fijne momenten in het jaar zal zijn waar we naar uit kijken. Een waardevol moment dat we graag koesteren.

Ik wens u fijne eindejaarsdagen toe. En de burgemeester, een nieuw setje schoonmaakdoekjes.

Zand

klinkers

Ik heb een nieuw terras. En dat net nu de winter voor de deur staat. Niet dat ik echt verwacht dat de temperaturen van de afgelopen dagen nog verder zullen stijgen, maar een nieuw terras moest er komen. Omdat het oude opgebroken werd. Op bevel van mijn lokale overheid, ons dorpsbestuur. Deze laatsten investeren sedert enkele jaren in een gescheiden rioleringsstelsel en hierdoor moeten alle burgers hun riolering ook aanpassen. Terras open, nieuwe buizen erin. Enfin, er ligt hier dus sedert enkele dagen een spiksplinternieuw nieuw terras. Althans, zo vermoed ik toch, want momenteel heb ik eerder het gevoel aan strand van onze Vlaamse kust te zitten. Overal zand.

 
“Da moet, menier, anders komme ui stiene los”. De man die mijn terras gelegd heeft kwam uit Antwerpen. Zijn medewerkers uit Polen. Hun Engels was fatsoenlijker dan zijn Vlaams.

 
Maar over dat zand wou ik het hebben. De kieren van mijn terrasklinkers moeten dus gevuld geraken met zand omdat mijn terras solide zou kunnen worden. Overal zand, van de garage, veel, tot in de slaapkamer, nog steeds teveel. Zand laat zich niet commanderen. Het gaat waar het wil. En volgens mijn Antwerpse vakman helpt vegen niet, integendeel. De natuur moet zijn ding kunnen doen. Wind en regen moeten de zandkorrels brengen waar het nodig is. De moderne mens is het niet meer gewoon dat de natuur het beter weet. Wat kan er nu fout zijn aan wat vlijtig vegen? Efficiënt, geen korrel te veel, geen korrel te weinig.
Ik heb het geprobeerd, zodra hij terug naar Antwerpen was. Met enige trots keek ik naar mijn geveegd terras, om de dag nadien overal spleten te zien. Had ik nu te veel of te weinig geveegd? Logica kon ik niet vinden. De plaatsen waar ik niet geveegd had, lagen er mooi gevuld bij. Beetje morsig, maar gevuld. Mijn geoptimaliseerd stukje was niet om aanzien. Gaten al om.

 
En dit is dan wat ik denk als ik naar het nieuwe terras kijk. Over-optimalisatie, over-efficiëntie, over-effectiviteit, haarscherpe processen, ze behoren tot de natte droom van de professionele manager. Maar het werkt voor geen meter. Mensen, want dat zijn al onze instellingen: een verzameling mensen, laten zich niet optimaliseren. Wie denkt dat dit kan, leeft in een waanbeeld. Mensen zijn als zand. Ze gaan waar ze willen, of je het nu leuk vindt of niet. En zoals het zand, weten ze ook waar ze moeten zijn, doorgaans weten ze het even goed als jij, veel management heb je daar niet voor nodig. En als je ze forceert, dan gaan ze kapot. Want daar verschillen mensen van zand. En mens wacht niet tot de wind hem verplaatst, de mens verplaatst zichzelf. Zodra dat niet mogelijk is, loopt het fout. Zand is geduldiger en blijft wachten. Mensen niet.

 
Laat uw mensen hun ding doen. Als je ze goed gerekruteerd hebt, dan weten ze wat hen te doen staat. Loop niet in de weg, zet in het beste geval een wegwijzer, maar bedenk, de weg is wijzer dan de wegwijzer (vrij naar Prof. Em. Ulrich Libbrecht).

 
Zou dat onze productiviteit niet verbeteren? Beetje minder managen en meer werken?

 

Met dank aan mijn terras maar vooral ook aan mijn all-time hero Ricardo Semler, die onverwacht op het World Creativity Forum van Flanders DC was. Het hoogtepunt van het congres.

Kapelletje

kapelletjeIk sta, zoals wel vaker gebeurt vandaag langs Vlaamse wegen, voor een mobiel rood licht ter hoogte van een straatwerf. De werf is pakweg honderd meter lang. Ik zie het andere mobiele rood licht, dat op groen zou moeten staan, voor me. Daarachter een lange rechte lege weg. De werf is onbemand. Er wordt vandaag niet gewerkt. Ik sta dus stil, alleen, op een klein landelijk weggetje. Nutteloos, maar omdat het moet. Omdat ik geleerd heb te stoppen als het rood is. Ook al is dit zo absurd. Alleen, op een landweg.

Mijn stilstand biedt me echter de kans om een piepklein kappelletje op te merken met daarin een Mariabeeldje. Het kappelletje is eerder een bakstenen poppenhuisje, anderhalve meter hoog. Ervoor ligt een kransje verse bloemen. Ik schrik van de minzame glimlach die op mijn gelaat verschijnt. Vroeger zou ik dergelijke bakstenen poppendevotie als belachelijk hebben afgedaan. Wie verspilt nu zijn geld om op eenzame weg, voor een pop bloemen te leggen? En wie bouwt zoiets? Wie getroost zich deze moeite?

Het antwoord ligt in de vraag: wie getroost wil worden, of wie wil troosten. Dat denk ik vandaag. Het heeft misschien te maken met ouder worden, hoewel ik er niet geloviger op geworden ben, integendeel. Het gebaar met de bloemen stemt me mild. Het belang van het ritueel. Een moment van contemplatie. Wie de bloemen daar neerlegde, dacht wellicht aan iets of iemand. Iemand die er niet is. Iemand die niet meer tot de dagelijkse af te werken agenda behoort. Een moment gewoon niets doen. To do-lijstjes loslaten en bloemen neer leggen. Stilstaan in het nu. Het is zelfs een beetje modieus met al dat gemindfulness.

Het nutteloze rode licht waar ik voor sta, geeft me de kans om dit te bedenken. Stil te staan bij de waan van dag waar ik naartoe onderweg ben.

Misschien dan toch niet nutteloos dat rode licht en die verlaten werf. Hoewel ik niet wens dat mijn stukje een inspiratie wordt voor onze mobiliteitsminister om overal mobiele verkeerslichten neer te planten. Maar toch. Als ze dat kappelletje nu maar mooi laten staan. Die mannen van de werf.

Met dank aan diegene die de bloemen neerlegde.

123 Piano

Het kon er nog even bij. Na e123pianoen dag hard werken, nog ééntje. Niet omdat het moest, maar omdat het mocht. Omdat het fijn was. Hij kwam uit rust en begon te hameren. Noten zwermden over het plein, en weerkaatsten tegen de muren van de bibliotheek. De bibliotheek, voor eens een klankkast, geen letterkast. Hij was verantwoordelijk voor het geluid. Samen met zijn zevenentachtig vrienden, allen op een rij, verborgen in het universum wat een piano werd genoemd. Hij wist niet wie hem beroerde. Of iemand hem beroerde. Hamers kunnen niet buiten de piano denken. De piano is hun wereld.

Het verhinderde hem evenwel niet om de doen waar hij talent voor had. Spelen. Hij herkende de melodie: Besame mucho. Hij hamerde erop los. Een bolero, een dans. Hier gespeeld zoals het leven. Verrassend veranderend van tempo, na-ijlend, voorlopend, maar op het eind van de maat, steeds samenkomend. Enkel wie de akkoordenschema’s kende, kon het nummer direct ontwaren. Deze, zeer vrije jazz-versie dreef de melodie tot aan haar grenzen. Zoals het leven.

Hij zag niet dat de mensen rond de piano glimlachten. Hij kon immers niet buiten de kast kijken. Hoe ze wegdroomden bij de klanken die hij verspreidde. De meesten begrepen de tekst niet. Spaans is nog steeds geen wereldtaal in Gent. Maar toch lachten ze, zoals ook de pianist, die niet wist wat hij speelde. Hij was wetenschapper zoals velen in Gent en had een drukke werkdag achter de rug. Zoekend naar een verklaring voor de natuur. Vaak begreep hij niet wat hij zag. Maar hij vond het mooi, was altijd verwonderd. En net dat zette hem aan om te blijven zoeken, zoals hij ook bleef spelen omdat het mooi was. Hij geloofde dat hij het ooit zou begrijpen. Hij zou buiten de piano denken. Zonder geloof, geen wetenschap. En zonder hamers, geen piano.

Kus me, kus me vele malen
Alsof vanavond de laatste keer is
Kus me, kus me vele malen
Omdat ik bang ben je te verliezen
Je weer te verliezen

Een stoel, ergens in het publiek

stoelIk kijk naar hem. Hij zit op een stoel, ergens in het publiek. Onopvallend. Minzaam kijkend. Een lachend knikje naar wie van de andere kant van zaal hem een blik toewerpt. Even ervoor stond hij in het middelpunt van de belangstelling. En hoewel zijn functie hem vaak in de schijnwerpers zette, hij heel vaak op dat kleine verhoogje stond om weer eens een hem zo kenmerkende toespraak te houden, hij zat even graag, misschien nog liever gewoon, op zo’n plastieken stoel te kijken naar het gebeuren.

De schooldirecteur. Vandaag is het zijn laatste dag op de laatste dag van dit schooljaar. Een andere opdracht wacht op hem.

De stoel in het publiek waar hij op zit, staat in zowat de enige oude ruimte die deze school nog kent. Onder zijn bewind werd de school tot op de grond afgebroken en heropgebouwd. Letterlijk. Deze school heeft de nieuwste, modernste klaslokalen met de meest actuele infrastructuur die je maar kunt bedenken. Smartboards, natuurlijk, maar ook meegroeitafels, waardoor leerlingen hoog zitten en de leerkracht nooit hoeft te bukken. De voetsteunen aangepast aan de individuele lengte van ieder kind. Een nieuwe school werd gebouwd terwijl er les werd gegeven. Het vroeg heel veel flexibiliteit van het schoolteam om telkens weer te verhuizen, les te geven in containers, te midden het bouwgeweld. Over een periode van vier jaar voltrok zich een complete metamorfose. Al die tijd bleef die school functioneren. De hand van de schooldirecteur. En het bouwen verliep zoals het hoorde.

Terwijl ik naar hem kijk, op zijn stoel in het publiek, dringt het door wat deze directeur, en bij uitbreiding alle directeurs, echt directeurs maakt. Het onzichtbaar vermogen om een groep mensen over lange tijd, in alle mogelijke omstandigheden tot een goed functionerend en zelfs zeer betrokken team te laten werken. Zijn school werd daarenboven omringd met een zeer grote groep vrijwillige Helpers. Zo werden ze genoemd, de velen die op allerlei manifestaties de handen uit de mouwen staken. Op allerlei festijnen stond op een lange tafel steeds het bordje “voor de Helpers”. Want na het werk, waren ook zij nog eens gast. Je kent een directeur aan zijn team en zijn helpers. De betrokkenheid van al die mensen was uiteindelijk de reflectie van de betrokkenheid van de directeur. Betrokkenheid, verpakt in die minzame glimlach waarmee hij conflicten oploste, diplomatisch mee onderhandelde. De minzame glimlach, op een stoel, ergens in het publiek.

Enkele jaren geleden zaten we op een avond samen, in de keuken van school, na te praten nadat we één of andere voorbereiding hadden gemaakt voor een feest. Ik vroeg hem naar de opleiding voor directeur. Onbedoeld vertelde hij me via zijn voorbeelden dat je eigenlijk niet opgeleid kan worden voor directeur. Je kan de nodige administratieve vaardigheden leren, en misschien, heel misschien, een lesje in wat graag en vooral helaas people management wordt genoemd, maar het vermogen om op het juiste moment, op de juiste wijze, de juiste dingen te zeggen tegen de juiste mensen, is eigenschap die zich niet laat ontwikkelen via vormingen of handboeken.

Hij wordt nu opgevolgd door zijn rechterhand, de pedagogisch directeur en iemand die uit de eigen rangen doorgroeit. En ook al stond hij niet in voor de selectie van zijn opvolgers, zijn signatuur zie je opnieuw. Twee mensen die heel bijzonder uitblinken in hun betrokkenheid voor hun vak, hun betrokkenheid voor hun school. Wellicht kijkt hij daarom nu minzaam vanop die stoel, ergens in het publiek. Een school, gebouwd op betrokkenheid. Dat heeft hij verwezenlijkt. En dat is zoveel meer dan een smartboard of een meegroeitafel.

Het ga je goed Freddy.

Tijd

Afbeelding1Ze kijkt op haar klok. De helft van de tijd is verstreken. Ze kijkt naar de syllabus die voor haar ligt. De linker helft is ongeveer één derde de dikte van de rechterhelft. Wetend dat op elke bladzijde ongeveer evenveel informatie staat, beseft ze dat ze achterloopt met haar studie. In de helft van de resterende tijd moet ze nog twee derde van de stof verwerken. Hoewel die vaststelling haar kortstondig een moment van stress bezorgt, ebt die weer weg zodra ze een vogel ziet die met zijn pootjes de rand van haar dakgoot omknelt. Dat doet hij nu al meer dan twee weken. Hij komt poolshoogte nemen, of eerder dakraamvensterhoogte, aan het kot van het meisje dat studeert.

Bladzijden van rechts naar links omslaan. Een ritueel voor instromende kennis. Informatie die, door het ontdekken van de samenhang, haar leert hoe het nu eigenlijk in elkaar zit. De kennis stroomt helaas ook wel wat over, zoals het water in haar ietwat verstopte douchecabine. Ook de douche weet dat het academiejaar er op zit. Bladzijden die het geheugen niet halen maar omgedraaid worden als was het de wind die door haar kamer jaagt.

Wat ze niet weet, is dat de kennis die ze nu probeert te vangen, pas later, als er tijd is, inzicht zal worden. Je leert niets als je studeert voor een examen. Je leert pas als je later iets met die kennis probeert aan te vangen. En merkt dat de kennis niet werkt. Waarop je gaat nadenken. De tijd stil zet om te achterhalen wat er gebeurd is. Een examinator kent geen tijd. Een examinator kent alleen een klok.

Tweemaal tijd. Tijd, netjes verdeeld volgens de wijzers van haar klok en de bladzijden van haar boek. Tijd, of eerder tijdloosheid, als ze verbaasd opkijkt naar een mislukt experiment en zich afvraagt wat er misgelopen is.

De vogel laat de dakgoot los en vliegt weg. Ze schrikt op bij de beweging van de zwarte schim in haar gezichtsveld. Ze was weg in gedachten, weg van de tijd, weg van haar syllabus. Ze kijkt naar de pagina voor haar neus en herleest de paragraaf. Plots is alles helder. Een moment van niet-denken. Drie streepjes op de klok die verstreken, zonder ze te beleven. Een inzicht dat ontstaat.

Ze kijkt naar de dikte van de rechterkant. Nog wat vogels kijken, denkt ze. Dan gaat het misschien wat beter.

Donkere Wolken

zestEr zijn zo van die dagen dat je je blindstaart op de donkere wolken die de hemel toedekken. Wolken die, zeker als ze vele schakeringen van donkergrijs laten afwisselen met zwart en wit, intenser kunnen zijn dan het mooiste schilderij. En dat achter die wolken de zon, hoe dan ook, altijd schijnt. Ondanks die wetenschap, komt het toch voor dat de donkere wolken als een te laag hangend plafond, je een claustrofobisch gevoel geven. Drie dagen kijk ik naar buiten en drie dagen heb ik het gevoel dat ik in een te kleine kamer het hoofd gebogen me moet voortbewegen. En dat, net op het ogenblik dat ik verwacht wordt deze bijdrage te schrijven. Zowel mijn uitgevers als mijn lezers verwachten een positieve kijk op de wereld. Dat is de plaats die ik op de pagina’s heb toebedeeld gekregen. Moeilijk als onweer in de lucht hangt.

Edoch, in tijden van onheil is Zest nabij. Omdat het scherm van mijn tekstverwerker mij agorafobie geeft (ik heb schrik van een leeg beeldscherm), begeef ik me, vroeger dan anders, naar het shopping center onder mijn kantoor. Een gezond sapje halen. Kan nooit kwaad en de vier muren van mijn kantoor inspireren me toch niet, hoewel ik weet waarover ik het wil hebben. Het sapje haal ik wekelijks aan de kiosk in het atrium van het Gentse shopping center Zuid. Daar staat een achthoekig roze tuinhuisje van de gezondsheidsketen Zest. Het huisje wordt afwisselend bemand door een jobstudent die hard aan de muzikale weg timmert en eigen cd’s opneemt en door een jonge vrouw die perfect gecast is bij het exotisch karakter van al dat vreemd fruit dat klaar ligt om in de blender te gaan. Vandaag ga ik voor acia. Ik vraag verkeerdelijk om acacia en wordt geheel vriendelijk geïnformeerd dat het “acia” is. Het meisje legt omstandig uit hoe een klant haar leerde wat die bes – want acia is een bes – is en hoe je het juist uitspreekt. Stralend mixt ze ondertussen alle ingrediënten van mijn drankje. Haar lach is aanstekelijk en ik begin zowaar voor het eerst in dagen te glimlachen. En ze heeft me dan nog eens op mijn uitspraakfout gewezen ook. Je moet het maar kunnen. Een klant op een fout wijzen en hem een goed gevoel geven tegelijkertijd.

Vorige week stond ik aan te schuiven en was de muzikant van dienst. Voor mij stond een koppeltje wat omstandig te doen rond de ingrediënten die wel of niet wilden. De muzikant luisterde met veel empathie naar de allergieën die de klant allemaal had of dacht te kunnen ontwikkelen bij de vele mogelijke ingrediënten. Ondertussen bereidde hij het drankje en serveerde alles in een bekertje. Ontzetting alom. De klant wou een flesje. Ze had het toch gezegd! Ze wist het zeker. Nu weet ik dat de muzikant-blender altijd zorgvuldig vraagt wat de klant wilt en hoe hij in mijn bijzijn, toch nu al bijna twee jaar, zich nooit vergist heeft. Met de glimlach lost hij het euvel op en giet alles over een in een flesje, ondertussen de twijfel rond de schuld oplossend door ze op hem te nemen. De klant foetert nog wat, ook al wordt het drankje nu in het flesje geserveerd. Na afloop feliciteer ik de jongen met zijn bijzonder galante en hoffelijke aanpak. Hij incasseerde het probleem, en toch zonder enig kruiperig onderdanige houding, integendeel. Met een gepast antwoord, gaf hij die ietwat moeilijke klanten toch een fijn moment in tijden van fruitsapcrisis.

Bij Zest werken dus in Gent minstens twee mensen die hun job schitterend doen. Meer dan het mixen van vers fruit, geven ze hun klanten een gezondheidskuur door authentiek stralend in hun tuinhuisje te staan. In een wereld waar ik elke dag opnieuw vrees dat we steeds meer via missies, visies en bijhorende bedrijfsopleidingen richting geprefabriceerde klantvriendelijkheid evolueren, kan ik niet anders dan rapporteren dat er nog hoop is. En als er hoop is, verdwijnen de donkere wolken.