Appelboom

appelboomjpg

Ook al heeft de zomer het moeilijk om afscheid te nemen van mijn tuin, de natuur laat zich niet dicteren. Ze volgt haar eigen ritme, het ritme van de seizoenen. Achteraan begint de kastanje reeds zijn eerste bladeren af te schudden. De kerselaar zal binnenkort volgen. Ook in de tuin staat een kleine appelboom voor wie de herfst al enige tijd begonnen is. Het boompje is ziek en verliest zijn kracht.  De appels zijn niet de vruchten geworden die het in gedachten had. Niet alle plannen worden gerealiseerd, zelfs deze van de natuur niet.

Het lijkt zo fout. Bomen die niet doorgroeien. Het is zoals een verhaal dat ergens in een paragraaf gewoon stopt. De lezer achterlaat met enkel het blad. Het blad dat tot niets meer dient, zonder letters. Een blad zonder letters, leven zonder vorm.

Met het vallen van de kastanjebladeren, het verkleuren van de kerselaar en de beukenhaag, het vertraagde groeien van het gras, lijkt het alsof de tuin meeleeft met de strijd die de appelboom voert. Bomen zijn gemaakt om te leven en ook in deze fase van zijn leven stuwt het boompje zijn sap tot in het verste punt van elk blad. Zij het met moeite. Ik kan niet anders dan mijn appelboom aanschouwen en wachten. Ik kan niet anders dan kijken naar de boom en verwonderd blijven over het leven dat zich voltrekt in die verzameling frêle blaadjes die zijn kruin ondertussen geworden is. Zelfs nu zie je de kracht van het leven, de energie van waaruit we allemaal gemaakt zijn. De steeltjes trekken mijn aandacht. Ze symboliseren net dat moment waar je nooit wou zijn en als je er bent, je hoopt dat je er toch even mag blijven. Het zien van het leven in dat ogenblik brengt mededogen, wat zoveel meer is dan medelijden. Leven scheidt wie elkaar lief heeft, schrijft Jacques Prévert, zacht, zonder geluid.

 

Achter het raam zit het meisje met vermoeide ogen te kijken naar de kleine appelboom. De bladeren op het langzame gras. De tuin omhelst haar. In haar stroomt energie tot in de toppen van haar vingers. Langzaam. Maar het stroomt. Hier zijn geen letters voor.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Hello Kitty

Stokes-Hello-Kitty2-1200

Ze lopen hand in hand onder de schaarse stralen die de zon deze zomer aanbiedt. Rechts van hen appartementsgebouwen, zes hoog. Links van hen de Noordzee met een door boeien, windturbines en containerschepen verstoorde weidsheid. Ze wandelen oostwaarts anders kon de zee niet aan hun linkerkant liggen. Aan bakboord. Van achteren te zien schat ik ze tussen de  vijvenzeventig en de tachtig jaar oud. Zonder wandelstok of rollator.

Ik volg ze al enige tijd, niet bewust maar toevallig. Ik moet ook naar het oosten, of eerder naar het midden-oosten. Daar staat mijn fiets. Halverwege de dijk, nabij het casino. Dat hoop ik toch. In het Midden-Oosten geldt het gezegde: “Vertrouw op Allah, maar bind wel je kameel vast.” Aan mijn kameel zit een stevig slot. Net als ik ze wil inhalen, stoppen ze en draaien zich om. Een taverne trekt hun aandacht. Promotie voor de verse mosselen.

Ik schrik als ik nu ook hun voorkant zie. Hoewel ze er uitzien zoals ik had verwacht, keurige vitale bejaarden die gezondheidspillen op affiches bij de apotheek zouden kunnen aanprijzen, springen ze toch uit de band. De dame, ik schat ze zeker tachtig, draagt een witte bloes met erop in het groot, in het midden, een Hello Kitty figuurtje, geheel met onderschrift “Hello Kitty”, zodat je toch niet zou denken dat het Musti is. Hij draagt een zwart t-shirt met de overbekende tong van de Rolling Stones erop. Hot Lips.

Waarom schrik ik als ik een oma met een Hello Kitty-shirt zie of een Opa met het logo van een rockband? “Bij ons” wordt gezegd dat je je moet kleden naar je leeftijd. Terwijl “bij ons” ook wordt gezegd dat je mentaal altijd even oud blijft. Een soort imaginaire leeftijd. Mag kledij dan niet vertellen wie je bent en hoe je in het leven staat? Ik kan me niet van de gedachte ontdoen dat het t-shirt van Hello Kitty gezorgd heeft voor de vitaliteit van deze bijzondere bejaarden. Het is er alvast een illustratie van.

Mijn wandelaars hebben lak aan wat ze “bij ons” zeggen. Ik zie ze plaats nemen. Een ober komt hen de kaart brengen en ik zie hem lachend weglopen. Hij spreekt zijn collega aan, wijst naar het Hello Kitty -tafeltje. Ze lachen. Ook aan de tafeltjes rond onze bejaarden worden de t-shirts opgemerkt. En overal verschijnen pretlichtjes. De vitaliteit die deze twee uitstralen besmet het ganse terras. Aan één van de tafeltjes merk ik op dat er nog zijn waarvan hun fiets aan het casino staat. Ook vanonder de hoofddoek wordt gelachen. Iedereen geniet van deze ode van Hello Kitty en Hot Lips aan het leven.

De lichtmeridiaan: 6. Identiteit

blberge

De voortuin van de Academie voor Woord en Muziek in Blankenberge ligt perfect op de lichtmeridiaan. Het tuintje is een ideale locatie voor ons laatste lichtje. Publiek zichtbaar en toegankelijk, maar toch met een kleine barrière voor wie het wil zien. Je moet het tuintje immers ingaan. Met wat geluk overleeft het lampje de stedelijke grasmaaiers en de souvenirjagers toch enige tijd. Het is een bezorgdheid die we de hele reis wel wat hadden.

Het tuintje is om meer dan puur praktische redenen ideaal. Het tuintje helpt ons het verhaal dat zich deze reis heeft ontwikkeld, af te sluiten. De muziekacademie is de plek waar ik meer dan twaalf jaar mijn hobby heb beoefend en het is de plek waar mijn vader meer dan dertig jaar heeft gewerkt. Een kniesoor zal opmerken dat dertig jaar geleden hier geen muziekacademie gevestigd was. Dat klopt. De academie bevond zich toen in de Molenstraat, in andere oude schoolgebouwen.  De mooie gebouwen waar de academie zich nu bevindt behoorden vroeger toe aan de normaalschool van Blankenberge.

We hebben het tijdens dit verhaal over wortels gehad. Hier op deze plek hebben mijn vader en ik in elk geval een stuk wortel geschoten. Een stuk van onze geschiedenis ligt hier. Een stuk ervan was ook gezamenlijk. Na schooltijd ging ik gewoon met mijn vader mee naar zijn werk en kwam zo in de muziekacademie, toen nog muziekschool, terecht. Hoe pragmatisch de keuze van een hobby kan zijn. Ik heb het mij nooit beklaagd, integendeel. Ik speel nog altijd heel graag muziek en mede dankzij de opleiding in deze school, begrijp ik waar mijn vrouw, die een echte muzikante is, het over heeft. Ik ben geen muzikant. Toch wel, zegt zij. Wie ben ik?

Leven is zoeken naar onze eigen identiteit. De uitspraak komt van Charles Handy. Hij is één van wat ik mijn ankerpunten noem. Ik heb er vier: Charles Handy, Toon Hermans, Willem Vermandere en Ulrich Libbrecht. Ze zijn ankerpunten omdat na al die jaren ik merk dat ik hun boeken, platen en video’s het meeste raadpleeg als ik raad nodig heb en steeds opnieuw hun stemmen wil horen. Charles Handy is wellicht de minst bekende in onze contreien. Handy is Iers self-made sociaal filosoof en op hoge leeftijd nog steeds actief. Zie Youtube.

Als leven de zoektocht naar onze identiteit is, dan is die reis, die hiervan een hyponiem is, het dus ook. Hebben we iets geleerd op deze tocht die ons dichter bij onze identiteit heeft gebracht? Geleerd. Het is ook een vraag die we aan het begin van de rit behandeld hebben. Als we reizen om te leren, dan plaatsen we ons buiten de reis. Dan observeren we wat ons pad kruist. Wij zaten in de reis. De reis was wie wij waren gedurende deze vijf dagen. We waren vijf dagen lang lichtreizigers. Op pad met een kleine rubberen hamer, een notitieblad en een plastiek tuinlichtje. Elke dag opnieuw op zoek naar de ideale plek. We hebben gedurende de ganse reis nooit geobserveerd, maar beleefden elke minuut van onze onderneming.  Onze reis was veeleer een ervaring dan wel een leerschool. Ervaring. Libbrecht zegt het zo treffend: Er-varen. Je moet er varen om de beleving te pakken te krijgen.

Het bijzondere is dat tijdens een ervaring de vraag over de identiteit zich niet stelt. We vroegen ons niet af wie we waren en wat we deden. We vielen immers samen met de reis die we maakten. Wie samen valt met het decor, wordt decor. Het brengt rust. Vraag het aan de kameleon. Uiteraard waren er wel reflectiemomenten, zoals elke avond toen een nieuw verhaal geschreven moest worden, maar de dag zelf was gewoon leven en beleven. We voelden ons ontspannen, elke dag opnieuw. De reis was nooit echt vermoeiend ook al reden we vaak tien uur lang. Identiteit is een irrelevante vraag als je het leven leeft.

Kunnen we aldus stellen dat, als we ons druk maken over onze identiteit, we op dat ogenblik het leven even stil zetten? Ik heb het gevoel van wel. Staat het leven niet stil van zodra we ons gaan differentiëren? Stond het leven niet stil toen Zuid-Afrika leefde vanuit twee duidelijk met kleur afgebakende identiteiten? En begon het leven niet te bruisen toen Mandela daarover heen stapte en het verleden niet gebruikte om de misdadigers te onderscheiden van de slachtoffers, maar het verleden te gebruiken om de verschillen weg te werken? Valt Amerika niet stil zodra de termen America First valt? Om nog maar te zwijgen over het met harde hand invoeren van identiteitgebaseerde ideeën in het Midden-Oosten en de streek errond?

Onze week op de lichtmeridiaan heeft ons eraan herinnerd dat wat we doen belangrijker is dan wie we zijn. De steen zal de koers van de rivier bepalen, niet de naam van diegene die hem erin gelegd heeft. En ook hier heeft het vermaledijde Facebook bewijs van geleverd. Het was fijn toeven op het internet, te midden van allerlei interacties van nota bene vaak vreemde mensen. Velen kenden we niet en dat deed er ook niet toe. Maar de fijne woorden van aanmoediging die we kregen, die zouden we voor geen geld van de wereld willen gemist hebben.

Aldus: dank aan de lezer, de volger, de supporter, de “vriend”.

Als de vogel weg is, is de weg weg.

 

De versie voor Katrien

Sarah en Pippa spelen in de tuin van Pippa. De tuin van Pippa is een heel leuke tuin om in te spelen. Er staan veel bomen en de struiken zijn groot en groeien door elkaar. Je kan je verstoppen op heel veel plekken. Veel meer dan in de tuin van Sarah. Daar snoeit papa alle haagjes kort en netjes. En kan je dus gemakkelijk zien waar iemand zit. Maar de tuin van Pippa is een wilde tuin. Diep achter de bomen hebben Sarah en Pippa een huis gemaakt. Enkele takken vormen de muren en boven hun hoofd hebben ze een oud deken gehangen die de mama van Pippa hen heeft gegeven. Het deken hangt met wasspelden aan de takken van de bomen vast. Het is een gezellig huisje. Pippa heeft er haar tafeltje in gezet en Sarah heeft bordjes en kopjes op de tafel gezet. Naast Sarah en Pippa zitten ook de eekhoorn en de poortwachter netjes aan tafel, onder het deken dat aan de takken vast hangt. Het is tijd voor een vieruurtje, in het huis van Pippa en Sarah.

Kareltje belt aan bij Pippa en vraagt of Pippa er is om buiten spelen.

“Ze is achteraan in de tuin, samen met Sarah”, zegt de mama Pippa.

De mama van Pippa spreekt een beetje gek. Ze heeft een accent omdat ze uit een ander land komt. Een accent wil zeggen dat je de woorden een klein beetje anders, een beetje gekker, uitspreekt. Zo zegt de mama van Pippa niet “ze is achteraan in de tuin”, maar “zie ies achteran in de tu-ien, sammen with Sarah”.

“Ga maar” zegt de mama van Pippa. Maar Kareltje blijft aan de deur staan. De mama van Pippa herhaalt wat ze gezegd heeft: “zie ies achteran in de tu-ien, sammen with Sarah”. Ze denkt dat Kareltje haar niet begrepen heeft.

Maar Kareltje heeft de mama van Pippa heel goed begrepen. Hij wil alleen niet in die tuin gaan en zeker niet naar achter. Hij vindt de tuin van Pippa eng. Al die bomen en die struiken. Alles staat dicht op elkaar. En als je naar achter wil, dan moet je door de struiken heen klimmen. En kunnen de spinnen en de kevers in je kleren kruipen, zo denkt Kareltje. Kareltje heeft zelf geen tuin. Bij hem is er achteraan enkel een koertje waar hij met zijn go-cart racet. Hij is een beetje bang in de tuin.

“Ga maar”, herhaalt de mama van Pippa, en geeft Kareltje een licht duwtje in de rug.

Met enige tegenzin gaat Kareltje de tuin in. Hij hoort giechelende stemmen, heel ver, achter die grote bomen. Sarah en Pippa hebben het zeker naar hun zin.

Bij de eerste boom stopt Kareltje. Hij probeert tussen de takken van de struiken te kijken om Sarah en Pippa te vinden. Hij ziet niets. En toch hoort hij de twee meisjes heel goed.

Opnieuw hoort hij hen lachen. Heel nieuwsgierig probeert Kareltje de takken wat opzij te duwen. Het lukt. En er is geen enkel spin te bespeuren.

Hij maakt een stapje vooruit en de takken achter hem zwiepen terug tegen elkaar. Hij zit nu gevangen in het bos van Pippa. Heel even wordt hij erg bang. Bang dat hij niet meer terug kan. Bang dat hij de weg terug niet meer zal vinden.

Opnieuw lachen de meisjes. Nu hoort hij heel duidelijk dat ze een koekje aan het eten zijn. Zo van die lekkere die de mama van Pippa kan maken. Engelse koekjes. Cookies, zegt Pippa. Gekke naam voor een koek.

Hij neemt nog enkele stappen en moet opnieuw door een grote dikke struik klimmen. Geen kevers te zien.

Sarah ziet Kareltje van tussen de takken van de struiken komen.

“Hé, Kareltje!” roept ze, “kom je naar ons huis? We hebben lekkere koekjes.”

Kareltje heeft wel zin in zo’n koekje. Zijn trek in een koekje is groter dan zijn schrik van de bomen en struiken.

“Waar blijf je?” roept Pippa, “Je bent toch niet bang?”

Bij het horen van die vraag, schrikt Kareltje op. Bang, hij is nooit bang.

“Bang? Ik? Ik ben nooit bang”, zegt Kareltje met luide stem, terwijl hij angstvallig de struiken achter hem in de gaten houdt.

“Kom dan”, roept Pipa.

Kareltje holt vooruit naar het huisje van Sarah en Pippa. Toch maar zorgen dat hij sneller dan de spinnen is.

“Hier ben ik”, zegt hij triomfantelijk, alsof hij als een avonturier een hele jungle heeft doorkruist.

“Hier is een cookie”, zegt Pippa.

Kareltje neemt het cookie aan en speelt daarna de hele namiddag in de jungle met Sarah en Pippa. Ze spelen ontdekkingsreiziger en zoeken naar een verborgen schat.

Als ’s avonds Kareltje thuis komt, is hij helemaal zwart, groen en bruin van het bos van Pippa.

“Was het een leuke dag?” vraagt mama terwijl ze Kareltje helpt om in bad te kruipen.

“Heel leuk” zegt Kareltje, “we hebben in het bos van Pippa gespeeld. Pippa heeft een echt bos, met vele bomen.”

“Wat leuk”, zegt de mama van Kareltje.

“Ja, en het bos is helemaal niet eng. Er zitten geen spinnen en ook geen kevers. En ze kunnen niet in je kleren kruipen.”

“Had je dat dan gedacht?” vraagt de mama van Kareltje lachend.

“Nee, tuurlijk niet”, antwoordt Kareltje. Hij weet nu immers er geen spinnen zijn. Hij heeft het met zijn eigen ogen gezien. Omdat hij het gedurfd heeft om het bos in te gaan. Kareltje is nu een echte avonturier.

De lichtmeridiaan: 6. Mutaties

lichtreizigers

We hebben ons doel bereikt. Mijn zoon is gevonden. Of eerder, we hebben gewoon de plek bereikt waar hij op vakantie was. We wisten waar hij was. Maar vinden klinkt wat avontuurlijker dan bereiken. Vanaf vandaag prijken er dus drie lichtreizigers op de foto’s die onze reis documenteren. Zoals dat gaat bij familiefoto’s, is het eerste wat de achterban doet bij het bekijken van onze beelden, zoeken naar gelijkenissen. Lijken ze op elkaar? Kan je het eraan zien dat het grootvader, vader en zoon is? Wat hebben ze gemeen behalve hun familienaam?  Het zijn de klassieke vragen die al gesteld worden bij het eerste kiekje dat van je genomen wordt. Baby’s hebben amper de vouwen uit hun dubbel geplooid lichaam kunnen strijken of er wordt al gekeken welke erfelijke kenmerken er zichtbaar zijn.

Op latere leeftijd worden dan de stemmen vergeleken – ik dacht dat ik je vader hoorde toen je de telefoon opnam – eventueel neuzen, en uiteindelijk ook karaktertrekken. Reageren ze op dezelfde wijze op dezelfde dingen of heeft de nieuwe generatie de eventuele zwakke plekken van de oudere generatie overwonnen? Bij een baby zijn de eventuele gelijkenissen ontegensprekelijk natuurlijk. Bij de tieners heeft de opvoeding reeds zijn werk gedaan. Elke familie heeft zijn gebruiken en waarden. Deze gebruiken en de waarden worden overgedragen van de ene generatie op de andere. Zoals de juwelen die van grootmoeder, naar moeder en daarna naar de dochter overgedragen worden.

Anders dan bij juwelen veranderen de gebruiken en waarden bij elke overdracht. Daar waar juwelen bij voorkeur in hun oorspronkelijke staat bewaard en zelfs gedragen worden, dagen de nieuwe generaties steeds de waarden van de vorige generatie uit. Ze passen ze zelfs aan. We noemen dit het generatieconflict. Het is interessant om op te merken dat we dit een conflict noemen. De verandering wordt als een probleem, een tegen-stelling gezien. Terwijl het eigenlijk om een natuurlijke evolutie gaat. Een mutatie noemt de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco het. Barrico schreef voor de Italiaanse krant La Stampa een reeks artikelen over de verandering van normen, waarden en denken in onze samenleving. Zijn gedachten werden gebundeld in het boek ‘De Barbaren’, waarmee hij met een knipoog verwijst naar die nieuwe generatie die als barbaren te keer gaan tegen de cultuur die de vorige generatie heeft opgebouwd.

Op onze reis zitten drie generaties samen op pakweg zes vierkante meter. We reizen met een camper door Frankrijk. Mijn vader moet om kunnen met mijn manier van leven, en dat moet hij al vijftig jaar lang, en ik met deze van mijn zoon al zeventien jaar lang. Als ik het niet eens ben met een stelling of houding van mijn zoon, dan kan ik te rade gaan bij mijn vader, hij zit immers gemakkelijk  bereikbaar binnen die zes vierkante meter. Het probleem is dat zijn oplossingen om met mij om te kunnen gaan niet deze zomaar overdraagbaar zijn naar de “conflicten” die ik moet oplossen met mijn zoon. Ik noem het trouwens liever geen conflicten. Het gaat om ontdekken van mutatie en daar niet als een dodo op te reageren. De overgang van vis naar amfibie en van amfibie naar zoogdier, heeft andere uitdagingen waarvan de aanpak om ze op lossen verschilt per generatie.

Als we de evolutie van onze samnleving een mutatie noemen, dan volgt hieruit dat het begrijpen van onze eigen geschiedenis onvoldoende is om de problemen van vandaag aan te pakken. Het verleden geeft geen zekerheid, meer nog, de waarde van het verleden wordt overschat. Er zijn voldoende theologen opgeleid in alle godsdiensten, maar geen van hen kan het conflict dat zich vandaag laat duiden als een problematiek met moslimextremisme, met hun kennis oplossen. Anders waren er zoveel doden niet gevallen. Het kennen van de betekenis, vaak multi-interpretatief, van de Bijbel, de Koran of de Thora, helpt niet. De moderne moslim, extremist of niet, benadert zijn levensbeschouwing anders dan de vorige generatie, ook al beweren vooral deze laatsten daarenboven dat ze naar de oorspronkelijke leer willen terug gaan. Elke geloofsovertuiging werd al geconfronteerd met een poging tot het terugkeren naar de zogenoemde oorspronkelijke leer. Zoogdieren zullen  echter niet opnieuw vissen worden als het water aan hun lippen gaat staat. Ze zullen verdrinken en andere specimen zullen hun plaats innemen. Het zullen geen vissen zijn. Eventueel vissen versie 2. Maar die hebben misschien geen schubben en geen kieuwen. Wie weet.

Wil ik met mijn zoon in harmonie leven dan zal het er vooral op aan komen dat ik voeling hou met hem, meer nog dan hem begrijpen. Ik kan immers uit eerste hand vertellen dat zodra ik aanvoel dat mijn vader met mij om kan, elke spanning verdwijnt. Aanvoelen is iets helemaal anders dan begrijpen. Ik merk opnieuw uit eerste hand dat als ik begrip toon voor mijn zoon maar mij toch afkeer van zijn gedrag. Mijn begripvolle houding niet op applaus wordt onthaald, integendeel. Het aanvoelen ontbreekt. Ik gebruik teveel mijn verstand maar toon te weinig empathie.

Het is tot slot één ding om dit hier allemaal te schrijven, het is iets helemaal anders om het te doen. Ook al hebben wij het geluk dat de mutaties onze familie niet verscheuren, toch loopt het wel eens mis. De schade die dit dan teweeg brengt is zeer beperkt van aard. Ik twijfel er niet aan dat de leiders die vandaag hun hoofd breken over het probleem waar onze wereld mee worstelt, dit allemaal ook niet weten. Ik denk wel dat ze dezelfde fouten maken als deze die ze maken om met het gedrag van hun zoon of dochter om te kunnen, hoe voorbeeldig ze wellicht ook zijn. Als zij eens een fout maken, dan zijn gevolgen evenwel veel groter. Alle vaders zijn uiteindelijk dezelfde vaders en alle moeders ook.

De versie voor Katrien

Mama was boos. Sarah had haar kamer niet opgeruimd zoals ze het geleerd had. Na het spelen met één spel, ruim je het eerst op vooraleer je een ander spel uit de kast haalt. Dat was de afspraak. Zo niet, dan wordt het één grote rommelboel en geraken al die kleine dingetjes van het ene spel door elkaar gemengd met de kleine dingentjes van het andere spel. Dan komt het nooit meer goed.

Sarah was ook boos. Ze zat met haar handen gekruist over haar buik onder de tafel. Dat deed ze vaak als ze niet akkoord ging met wat mama zei. Een diepe frons in haar voorhoofd. Hoe mama het ook probeerde uit te leggen, Sarah wou niet luisteren. Ze was nuddig. Al een half uur. Nuddig was een Sarah-woordje en het betekent nukkig. Sarah’s beste vriend Kareltje was vaak nuddig ’s morgens op de speelplaats. Als Sarah ’s ochtends opgewekt naar haar vriendje holde, dan kreeg ze wel meer dan eens een grom toegegooid. Kareltje wou dan niet praten. De mama van Sarah had  gezegd dat dit nukkig was. Het hoorde bij het ochtendhumeur van Kareltje. Een beetje zoals papa die ’s ochtends aan het ontbijt graag in stilte zijn boterham op at en eens door de krant bladerde. Dan moest Sarah haar plannen voor de komende dag niet uitleggen. Dat had de mama aan Sarah geleerd. Het was moeilijk om die les te onthouden.

De mama van Sarah bedacht dat als zij vroeger ruzie had met haar mama, de oma van Sarah, ze in de kelder moest gaan zitten. In het donker. Bijvoorbeeld als ze haar bord met spruitjes niet wou opeten. Dan vloog ze helemaal naar beneden. Oma kwam dan kijken en als het bord leeg was dan mocht mama weer naar boven komen. Het bord was altijd leeg. Oma vroeg aan de mama van Sarha of spruitjes misschien lekkerder waren in de kelder dan in de keuken. Maar wat Oma niet wist, is dat de mama van Sarah al haar spruitjes één voor één in de lege flesjes bier stak die in de kelder stonden.

Sarah moest nooit naar de kelder. Gelukkig maar, want Sarah had heel veel schrik in het donker. En dus zat Sarah onder de tafel met haar handen gekruist over haar buik en haar diepe frons in haar voorhoofd. Het was gewoon niet eerlijk! Mama begreep het niet! Sarah wou met haar plasticine mooie meubeltjes maken voor haar poppen. Een stoel voor de eekhoorn en een tafel. En een heel mooi huisje waar de poortwachter in op wacht kon staan. Dus had ze wel én de poppen én de doos met plasticine nodig.

Maar mama wist niet hoe het moest, want mama had nooit plasticine gehad. En dus zat Sarah  onder de tafel met haar handen gekruist over haar buik en een diep frons in het voorhoofd.

De lichtmeridiaan: 5. Longitude

tempel

De lengtegraad 3°7’45” staat centraal in ons verhaal. Zowel de bedenkers van de Lichtmeridiaan als wij verkondingen dat de lengtegraad mensenlevens kan redden. We waren evenwel niet de eersten die tot deze conclusie kwamen. De lengtegraad heeft reeds vele levens gered, maar vooraleer het zover kwam, vielen, zoals dat vaak het geval is, veel doden. In 1714, na een ramp met de Engelse Vloot nabij de Scilly eilanden,  vaardigde het Britse parlement de Longitude Act uit en stelde een Board of Longitude samen, een bestuur dat het probleem van de lengtegraad moest oplossen.

Het probleem van de lengtegraad gaat over het kunnen bepalen van je eigen positie op zee. Wie met een schip de wereld wil bevaren (lees: veroveren voor de meeste imperialistische landen, zoals ook het Britse Koninkrijk), die kan maar best zijn plaats op zee kennen. Een foutieve inschatting kan als snel de hongerdood van de bemanningsleden van een vloot veroorzaken of ervoor zorgen dat ze op de klippen varen, zoals gebeurde bij het drama van de Scilly eilanden. Tijdens onze reis volstond het dat ik een foto nam van de plaats waar ik ons lichtbaken in de grond plantte, om dan te kijken wat mijn smartphone me vertelde over mijn positie. In 1714 waren er geen smartphones. Meer nog, in 1714 kon je geen nauwkeurige klok aan boord van een schip vinden. Het gestamp en gerol van het schip verstoorde immers de mechanische slingerbewegingen die een klok nodig heeft om te functioneren. En enkele seconden voor- of achterlopen kon betekenen dat je met je schip de kusten van een continent niet vond en je dus geen avondeten had. Het lengtegraad-verhaal wordt uiteengezet in een prachtige, weliswaar geromantiseerde film, Longitude (2000). Maar zoals u al weet vanuit het eerste verhaal, de romantici winnen bij mij altijd het pleit. Dus ik hou van de film. Ik heb ze zelf mee op mijn laptop op deze reis. Of dit niet genoeg is, de hoofdrollen zijn in deze film toebedeeld aan Jeremy Irons en Michael Gambon. Kijken dus, naar Longitude! Ik gaf de film heel vaak cadeau aan klanten en relaties. Ik heb dus wel wat met lengtegraden. Maar dat kon u al vermoeden.

Ons lengtegraadprobleem is uiteraard niet van zo’n praktische aard als het vraagstuk om te kunnen navigeren. Maar we hopen dat onze lengtegraad, eigenlijk die van Blankenberge, Roeselare en Palamos, ook levens gaat redden. Dus ergens is er toch een gelijkenis.

Onder het verhaal van de lengtegraad zit echter een addertje verborgen. Heeft u zich al afgevraagd waarom wij op 3°7’45” reizen? Uiteraard omdat Muze’um L op die meridiaan ligt. Maar waarom ligt Muze’um L net op een lengtegraad met deze waarde? Het antwoord vinden we in Greenwich, nabij Londen. Greenwich ligt op de lengtegraad 0°. Of eerder, de lengtegraad die door Greenwich loopt heeft men de waarde 0° gegeven. Het nulpunt. Elk assenstelsel heeft immers een nulpunt nodig en in dit geval is dit Greenwich. Een cadeautje van het imperialistisch gedrag van onze Britse vrienden. Maar dit thema snijden we nu niet aan. Waar het mij om gaat, is dat nulpunt.

Een nulpunt helpt om te meten. Een nulpunt is een houvast. Een nulpunt is hèt houvast. Zonder nulpunt zijn we niets. Dat Greenwich nul heeft gekregen is louter omdat de Britten de grootste mond hadden. Wie het nulpunt heeft, kan immers makkelijker rekenen. Je moet nooit iets bijtellen. Wie het nulpunt bezit, heerst over de wereld. Kijk naar de wereldkaart waarmee u bent opgevoed in uw kindertijd. Greenwich ligt netjes in het midden van de kaart, en bij uitbreiding heel Europa. Al de rest wordt naar de rand verwezen.

Koop eens een wereldkaart in China en je zal zien dat men daar China al eens in het midden durft zetten. Dat is immers gemakkelijker om de kinderen daarginds les te geven over China. Anders zit je heel de les op dat randje van die kaart te klungelen. Maar voor een westerling voelt die kaart vaak verkeerd aan. Alsof een bol, wat een wereldkaart moet voorstellen, een midden kan hebben.

Een nulpunt bepaalt dus onze visie op de wereld.  Wij zijn het nulpunt. Wij zijn de referentie. Wat ooit onschuldig begon als een oplossing om snel te kunnen rekenen, is verworden tot een superioriteitsgevoel waar we nu de prijs voor betalen. Het is immers niet prettig voor al die anderen om altijd op de rand van de familiefoto te moeten staan. Het ergste is dat wij het ons amper bewust zijn. Dat gaat zo met referentiekaders. Herinnert u zich nog toen u voor het eerst bij uw schoonouders ging eten? De keuken smaakte toch net iets anders en vaak moest u echt wel wennen. Nulpunt-problematiek. De keuken van uw moeder is de beste. En al de rest is een goede poging. Net zoals dat met uw moeders’ keuken gaat, gaat dit ook met normen en waarden, met overtuigingen en levensbeschouwelijk denken. Vele commentatoren verwijzen in de huidige wereldcrisis naar het feit dat wij de verlichting wel gekend hebben en de anderen nog niet. Ze zijn nog niet zo ontwikkeld als wij. Klinkt dit adagium niet vertrouwd in de oren? Zeiden we dat ook niet toen we zieltjes gingen winnen in Afrika en gingen evangeliseren in China? Iedereen overtuigen van onze voorsprong op de waarheid? Ik verwijs even terug naar Amin Malouf (ik maakte trouwens de fout door hem Palestijn te nomen, hij is Libanees). Hij schreef een fijn boekje: ‘’The crusades through Arab eyes”. Of hoe standpunten afhangen van waar je staat. Het neerpennen van de voorgaande zinnen ging gepaard met een lichte aarzeling. Ik maakte me bij het tikken immers direct zorgen dat de lezer mij zo dadelijk nog pleitbezorger gaat vinden voor die normen en waarden waar wij het niet mee eens zijn. Sommigen willen er het woord waarde zelfs niet opplakken. Maar dit doe ik niet. Ik maak enkel de observatie dat elk oordeel vertrekt vanuit een nulpunt, een referentiekader, zelfs het oordeel           waarbij we terroristen barbaren noemen. Zelfs deze bepaling is niet universeel, maar een gevolg van een denkkader. Onschuldigen doden is uiteraard verwerpelijk, maar het verwerpelijk vinden alleen is onvoldoende om er iets aan te doen. Zeggen dat we meedogenloos zullen antwoorden op deze barbarij, is ook intellectueel fout. In meedogenloosheid schuilt immers het uitgangspunt dat je niet meer wilt luisteren, begrijpen en meer nog, niet meer wilt meevoelen? Durven we zeggen dat meevoelen met de moordenaars de eerste stap zal zijn om ervoor te zorgen dat het moorden stopt?

Willen we de ambitie van de lichtmeridiaan realiseren, dan zullen we moeten aanvaarden dat er niet één maar tientallen, honderden lichtmeridianen zijn. Overal is er een 3°7’45”. Leven in harmonie begint met het loslaten van het nulpunt. En dat betekent echt niet dat de helft van de bevolking binnenkort gesluierd zal moeten rondlopen.

Misschien is dat de volgende uitdaging. Een nieuw board of Longitude samenstellen zoals in 1714. Een board of zero. Laat ons daar werk van maken. De eerste lichtmeridiaan kan hiervoor symbool staan. Ze draagt immers het onmogelijke getal 3°7’45”. Noch Blankenberge, noch Roeselare, noch Palamos eisen immers dat ze het nulpunt zijn. Ze zijn gewoon 3°7’45”. De lengtegraad van uw dorp of stad is even ingewikkeld als deze van de initiatiefnemers. Al van bij het begin zetten de initiatiefnemers zich op één lijn met alle anderen. En dat lijkt me alvast een goede start. Toch blij dat ik op die meridiaan geboren ben.

Ps.: wie wat theorie hierover wilt verorberen, verwijs ik met plezier naar de boeken “Inleiding tot de comparatieve filosofie” van Ulrich Libbrecht. Het past in de humor van Libbrecht om zijn magnum opus dat enkele duizend bladzijden telt, een inleiding te noemen. Of is dit nu net het nulpunt loslaten?

Wie liever in muziek inspiratie zoekt: Iedereen is van de wereld en wereld is van iedereen (The Scene)

En wie de stilte opzoekt, wij hebben in het midden Frankrijk een boeddhistische tempel ontdekt.

 

De versie voor Katrien

Sarah en Kareltje speelden samen voor de deur van het huis van Sarah op straat. In de zon. Je kon op de straat voor de deur van Sarah spelen, want in die straat mochten geen auto’s rijden. Kareltje kwam dus vaak in de straat van Sarah spelen. Hij reed er heel hard met zijn go-cart. Hij was de beste racer van de straat, zo beweerde hij. Hij was ook de enige met een go-cart. Maar hij kon het echt heel goed. Hij had zelfs een helm. Die had hij gewonnen op de kermis. En hij had stevige gordels aan zijn zetel. Die had hij zelf gemaakt met de oude dassen van zijn papa. Met die gordels kon hij heel snel bochten maken zonder uit zijn stoel te vallen. Kareltje toonde zijn kunsten aan Sarah. En Sarah lachte vaak als ze Kareltje zo hard zag trappen. Ze vond dat ze het toch gemakkelijker had, met de Eekhoorn en de Poortwachter in de zon, op de stoep.

Op een dag kwam er een grote vrachtwagen de straat in gereden. Ze stopte recht voor de deur van Sarah. Sterke mannen stapten uit en maakten de deuren van de laadbak open. Ze haalden er allerlei spullen uit: een bed, een tafel, zelfs een televisie en een koelkast. Het ging allemaal in het huis aan de overkant. Sarah kreeg nieuwe buren.

De nieuwe buren kwamen met de auto. Die stopte achter de grote vrachtwagen. Een mevrouw en een meneer stapten uit de wagen. Op de achterbank zat een meisje met bruin haar. Naast haar zat een baby in zijn draagmand. De mevrouw en de meneer vertelden de sterke mannen waar al die spullen heen moesten. Sarah luisterde naar wat ze zeiden maar ze begreep er niets van. Ze spraken vreemde woorden met een vreemd accent. Sarah wuifde naar het meisje. Het meisje wuifde terug.

Na enige tijd opende de mevrouw de achterdeur van de auto en het meisje wipte eruit.

Sarah liep op haar af en zei: “Hallo.”

Het meisje lachte en zei: “Hello.”

Het leek net hetzelfde maar het klonk wel wat anders.

“Ik heet Sarah”, zei Sarah.

Het meisje keek vragend en zei niets.

De mevrouw, de mama van het meisje, kwam dichterbij en zei: “Hello, diet ies Pippa.”

Tegen het meisje zei ze: “She says that her name is Sarah. She wants to be your friend – Ze wil je vriendinnetje worden”.

Dat laatste had de mevrouw er maar bij verzonnen.

Pippa kwam van een ander land, Engeland en daar spreken ze Engels.

Kareltje kwam aangereden met zijn go-cart. Hij wou ook wel met dat vreemde meisje kennis maken.

“Wil je eens rijden?” vroeg Kareltje en hij wees naar zijn go-cart.

Pippa aarzelde maar knikte. Ze stapte in en ging rijden.

“STOP!”, riep Kareltje, “Je rijdt aan de verkeerde kant van de weg!”

Pippa schrok en remde heel hard. De tranen kwamen al in haar ogen.

“Don’t worry” hoorde Sarah de mama van Pippa zeggen.

“They drive on the other side” zei de mama. De mama draaide zich om en zei met haar heel vreemde accent: “bij ons rijdt iedereen aan de linkerkant van de weg. Daarom rijdt Pippa aan die kant.”

Kareltje geloofde het niet: “Dat kan niet! Iedereen weet dat je altijd mooi aan de rechterkant moet rijden.”

“Toch wel”, zei de mevrouw. Toen moest ze naar de sterke mannen en ze nam Pippa mee naar binnen.

“Ik geloof er niets van”, zei Kareltje nog, “iedereen rijdt rechts.”

Hij ging naast Sarah zitten die ondertussen al druk in de weer was met haar poppen,, de Eekhoorn en de Poortwachter. Voor haar was het allemaal goed. In deze straat mochten toch geen auto’s rijden. Dus maakte het niet echt uit of je nu rechts of links reed. Je kon rijden waar je wou.

Kareltje vond het maar niets. De Poortwachter schoot wakker. Dat deed hij wel eens meer als er een probleem was.

“Karel!”, zei de Poortwachter, “wist je dat er meer dan 100 plekken zijn waar je met je go-cart links mag rijden? De Poortwachter nam zijn computer uit zijn tas en toonde aan Kareltje allerlei foto’s van straten waar de auto’s aan de ‘’verkeerde’’ kant reden. Er waren zelfs heel mooie racewagens bij. Rode.

Vanaf die dag wist Kareltje dat je met je go-cart soms rechts en soms links van de weg moest rijden. Heel af en toe zette Kareltje zijn helm op, deed hij zijn gordel aan, sprak enkele woorden die hij zelf niet begreep, maar ze klonken Engels, en reed aan de linkerkant van de weg.

De lichtmeridiaan: 4. Slap koord

rivier

Tot nu toe hebben we het gehad over de mens en zijn eigenschap om naar vrijheid te streven. Die vrijheid moet evenwel onder controle gehouden worden, willen we samen kunnen leven. Afspraken, helaas soms regels genoemd, hebben we nodig. Anders loopt het in het honderd. Maar regels kunnen ook bijzonder verlammend werken. Zo mochten wij tijdens deze reis ondervinden. Bij het plaatsen van ons eerste lichtbaken ging het al mis. Ons lichtje, het eerste op echt “vreemd” terrein, was voorzien in Mouvaux, Frankrijk, aan de ingang van het daar gelegen Centre Spirituel du Hautmont. De ingang bleek een drukke straat en het centre zelf was een oase van rust met een mooie tuin. Ons lampje zou daar, in die tuin, het best tot zijn recht komen. Omdat we welopgevoed zijn, gingen we terplekke vragen of we er ons lichtje in de grond mochten planten. De receptioniste wist niet goed wat doen met onze vraag. Dat had ook wel te maken met de bijzonder onhandige manier die ik hanteerde om ons plan uit te leggen. Ondertussen, na 29 lichtjes, zijn we er daar gelukkig heel bedreven in geworden. Maar goed, de receptioniste vond dat onze vraag haar verantwoordelijkheid te boven ging, dus werd de hiërarchische meerdere erbij gehaald. De dame in kwestie luisterde naar de helft van onze uitleg en onderbrak ons daarna. Ze had voldoende gehoord om te begrijpen dat onze vraag om dit lichtje in haar tuin te plaatsen ook haar verantwoordelijkheid te boven ging. Ze was immers slechts plaatsvervangend verantwoordelijke voor het instituut. De echte directeur was met vakantie tot het einde van de augustus. Of we dan eens konden terugkomen.

Het ging om het plaatsen van een tuinlampje! De dame kon niet oordelen of haar schitterende tuin de geschikte plek was. Het incident was een prachtige illustratie van het verlammend effect van regels en afspraken. De dame voerde perfect haar taak uit, maar hierdoor verloor haar rol wel haar betekenis. Zij was wellicht om allerlei terechte redenen aangeduid als een waardige  plaatsvervanger, iemand die met het juiste inzicht kon oordelen over de vragen die in augustus zouden opgelost moeten worden. Haar modus operandus had zich echter beperkt tot het afvinken van ja/nee-vragen. Die rol had de receptioniste zelf ook kunnen vervullen. Maar goed, zonder regels zou het ook niet gaan. Stel dat de dame naar geheel eigen inzicht zou mogen handelen tijdens de zomermaanden, dan zou de echte directeur misschien zijn instituut op 1 september niet meer herkennen.

Het is een moeilijk evenwicht om te weten wat je moet doen met regels. Ik heb het zelf heel moeilijk met regels. Altijd al gehad. Ik was nochtans geen rebel in mijn kindertijd en heb het als tiener of puber nooit te bont gemaakt. Maar ik wou niet naar de Scouts, de KSA of de Chiro. Ik kon niet begrijpen dat je in je vrije tijd je nog zou onderwerpen aan een organisatie die zou bepalen hoe je je speeltijd zou inrichten. Pas vele jaren later leerde ik via vrienden de waarde van al die jeugdbewegingen kennen. Ik waardeer nu, weliswaar veel te laat, de Scouts, de KSA en Chiro.  Voor mij leken het toen vooral  plekken waar ik weer moest luisteren naar iemand anders. Ik vond de school al erg genoeg. Ik handel graag naar eigen inzicht. Regels beschouw ik als waardevolle best pratices, in sommige gevallen zelfs wetenschappelijk onderbouwd, maar die af en toe toch eens aan hun juistheid mogen getoetst worden. In de meeste gevallen volg ik hiervoor de mogelijkheden die onze democratie ons ter beschikking stelt, maar soms is die democratie toch teveel bureaucratie en lijkt proefondervindelijk handelen me meer geschikt.

We besloten dus om vanaf die dag, lichtbaken 2 dus, nooit meer toestemming te vragen om er eentje plaatsen. Anders zouden we wellicht na twee etappes ons hele plan ontmoedigd opgeborgen hebben. Better to ask for foregiveness than to beg for permission. Het is een adagium dat ik koester. Tot nu, lichtje 29, ging alles behoorlijk goed. Een deel van dit succes heeft te maken met het feit dat we steeds, soms onbewust, ons afvragen of de plek die we kiezen voor het plaatsen van het lampje, niet storend is, naar ons inzicht. Slechts in enkele gevallen durven we weleens provoceren. Zo plaatsten we in Douchy voor het eerst ons lichtje zowat vlak voor de voordeur van het gemeentehuis. Ik moet toegeven dat er toch een triomfantelijk gevoel een beetje de kop opstak. Maar zoals ik al zei, we zijn welopgevoed, spreken met twee woorden en vegen steeds onze voeten als we ergens binnen gaan.

De kritische lezer zal natuurlijk opmerken dat deze basis om een succesformule op de definiëren wel heel erg mager is. Ons referentiekader van “niet storend” is verre van hetzelfde kader als dat van een ander. En wij zijn dan nog maar in Frankrijk, een land dat cultureel aanleunt bij het onze. Probeer maar eens de culturele voorkeuren in te schatten van China, Japan en ja, het Syrië, Turkije, Rusland maar ook de US en Iran, Irak, Saudi-Arabië en ga zo maar door. Je lost dat probleem echter niet op door steeds nieuwe regels te verzinnen, of bestaande regels te verfijnen. Het is helaas de weg die onze samenleving steeds meer uitgaat. Ik kom hier op platgetreden paden die u reeds kent. Ik ga dit betoog dan ook niet nog eens opnieuw voeren. Het enige dat ik graag nog eens onderstreep is dat regels verantwoordelijkheid uithollen. Immers, als u morgen aan 50km een ongeval veroorzaakt daar waar u 50km mocht rijden, dan zal niemand u zeggen dat u beter trager had gereden, ook al liepen daar 150 scouts op een rijtje. Het 50km bord zorgt ervoor dat al snel richting scoutsleider wordt gekeken. Het bord beschermt de chauffeur. En dat terwijl dat bord eigenlijk de scouts had moeten beschermen. Als we dus vinden dat onze burgers zich onverantwoordelijk gedragen, verminder dan de regels. Als je vindt dat ze echt niet verder kunnen verminderd worden, dan betekent doorgaans dat er nog wel eentje geschrapt kan worden.

Het is dansen op een slap koord. Maar wie kan dansen op een slap koord, kan dansen op het leven.

De versie voor Katrien

Sarah begreep het niet. De juf had gezegd dat ze vandaag mochten spelen zoals ze zelf wilden. En gisteren was de juf nochtans heel boos geweest. Gisteren had de zesde klas het gedurfd om te trappen tegen de Gele Bal en dan nog aan de rechterkant van de speelplaats.

De Gele Bal was de bal voor de handen en daarmee mocht je enkel mee gooien en alleen aan de linkerkant van de speelplaats. De Rode Bal was de bal voor de voeten, en daarmee mocht je alleen trappen, niet gooien, en enkel aan de rechterkant van de speelplaats. Dat waren de regels. Die waren er gekomen omdat al te vaak een bal tegen het gezicht van een kind op de speelplaats was gevlogen. Er was zelfs al een bril stuk geraakt en iemand had ooit een bloedneus gehad door die ballen.

Maar vandaag mocht alles. Iedereen liep door elkaar en de gele en de rode ballen vlogen in het rond.

“Fijn hé!”, riep Kareltje terwijl hij een harde trap gaf op de gele bal. De bal vloog door de lucht en miste net het hoofd van Pippa die aan het touwtje springen was.

“Pas op!”, riep Sarah nog. Gelukkig vloog de bal ver boven het hoofd van Pippa naar de andere kant.

Pippa schrok en struikelde over haar springtouw.

“Hé, wat doe je nu?”, riep Pippa.

“Het spijt me “, zei Sarah, ik dacht dat bal tegen je hoofd zou vliegen.

“Ik zag de bal wel komen hoor”, mopperde Pippa. Nu moest ze helemaal opnieuw beginnen. Haar springtouw zat vast in aan haar been en bleef haperen aan haar jurk.

Sarah vond het maar niets. En nu was zelfs Pippa, haar beste vriendin, boos op haar.

Plots was er herrie aan de andere kant van de speelplaats. Ze zag Kareltje lopen met de Gele Bal in zijn handen. Zijn vrienden waren boos. Ze riepen hem na: “Valsspeler!! Dit mag niet  !!”.

Kareltje en zijn vrienden hadden gevoetbald met de Gele Bal. Deze bal was normaal gezien voor de handen en niet voor voeten. Nu had Kareltje de bal opgepakt met zijn handen en was er mee naar het doel van de tegenstander gelopen.

“Dit mag niet, dat is tegen de regels. Je mag de bal niet met je handen vastnemen”, riepen ze.

Kareltje zei dat dit wel mocht.

“Vandaag is de dag dat alles mag”, antwoordde hij, “en trouwens, het is een Gele Bal, die mag je met je handen vast nemen.”

De kinderen stopten met spelen. Zo kon dit niet verder gaan. Iedereen was boos. Kareltje ging bij Sarah zitten.

“Ze willen niet meer met me spelen”, zei hij tegen Sarah.

“Toch wel” zei Sarah, “maar je moet wel eerlijk spelen.”

Kareltje begreep het niet. Vandaag was toch de dag dat alles mocht?

De poortwachter keek Kareltje streng aan. “Het is niet omdat vandaag alles mag, dat alles mag”, gromde hij met een diepe stem.

Kareltje schrok. Die pop kon praten!

“Het spijt me,” zei Karel de tegen de poortwachter. Hij stond op, nam de Rode Bal en liep naar zijn vrienden om een nieuwe wedstrijd te beginnen.

De lichtmeridiaan: 3.Voeten

chateau

Inleiding

Het thuisfront leest mee, zo heb ik vernomen. Mijn dochter volgt nauwgezet de foto’s en maakt er een spel van om het lichtje op de foto te vinden. Mijn dochter is vijf. Ze heet Katrien. Toen ze van haar moeder vernam dat papa niet alleen foto’s neemt maar ook verhaaltjes schrijft, vraagt ze om de teksten voor te lezen. Ik hoor van mijn dochter dat de verhalen wat saai zijn. Bij de passage over de bonobo’s moest ze toch schaterlachen zoals alleen zij dat kan. Maar omdat ik niet altijd over Bonobo’s kan schrijven, voeg ik vanaf nu een vertaalde versie van mijn stukje toe, op maat van een vijfjarige.

Veel leesplezier.

Jens

PS: ik las zoals u opnieuw onheilspellende berichten van geweld van deze dag. Sta me toe me in de parallelle wereld van deze reis te blijven en hier niet veel over te zeggen.

Voeten

Ik stel bij mezelf vast dat er zich bij dit project een vreemd soort betrokkenheid in mij heeft genesteld. Het heeft allemaal  te maken met het feit dat dit project nauw verbonden is met mijn geboortestad Blankenberge. Ik schep er bijkomend plezier in om iets te kunnen doen met en voor mijn stad, hoewel het mijn stad allang niet meer is. Ik woon al meer dan vijfentwintig jaar aan de rand van de Vlaamse Ardennen, in Zingem. Dat is langer dan ik aan de zee heb gewoond. Ik kom pakweg maandelijks nog eens in mijn geboortestad bij een bezoek aan mijn ouders. Hoe komt het dat een stad waar ik allang niet meer woon, toch met me verbonden blijft?

Vanwaar die hunkering naar de heimat die velen onder ons kennen? Een hunkering die eigenlijk de basis is van zoveel ellende. En dan heb ik het niet over het persoonlijke heimwee dat een reiziger wel eens heeft. We lijken ons voor eeuwig te identificeren met de plek waar we geboren zijn. Nochtans is die plaats niet bepaald door enig eigen toedoen. Het is gewoon de plek waar de moeder vertoefde toen het zover was.

Ik herinner me de scherpe observatie van de Palestijnse schrijver Amin Malouf tijdens een lezing in Brussel vele jaren geleden. Hij had het over “roots”, de wortels van een volk. Als Palestijn weet hij wel wat te vertellen over de problemen die wortels veroorzaken. Een mens is niet gemaakt om te wortelen, is mijn vrije interpretatie van wat hij zei. Anders was hij een boom. Een mens is gemaakt om “routes” te volgen. Je moet de woorden in het engels lezen om de humor – en Malouf is echt een geestige Palestijnse intellectueel –  in zijn woordspeling te begrijpen. “Forget roots, Follow routes”.

Wat Malouf zegt, sluit aan bij het vorige stukje over anti-entropie. Was de mens een boom geweest, dan waren wortels inderdaad heel belangrijk. Zonder wortels sterft de boom. We hebben echter voeten in plaats van wortels gekregen en die dingen zijn gemaakt om rond te lopen. Probeer maar eens een hele dag op die voeten van u stil te staan. Ze dienen er gewoon niet voor. En bij uitbreiding uw hele lijf niet. Ons lijf is gemaakt om te bewegen. Of juister geformuleerd, de natuur heeft ervoor gezorgd dat onze gehele ontwikkeling behoorlijk harmonieus is verlopen. Stel u voor dat u kon dromen van verre reizen maar dat de natuur u vergat  benen te geven. Of dat u kon lopen als een gazelle, maar enkel om te ontsnappen aan uw vijand. Neen, wij, het sterk anti-entropisch zoogdier dat wij zijn, heeft doorgaans het lijf dat bij hem past. Wij zijn vrij. Of we willen het althans zijn. En ons lijf laat ons toe dat te zijn. Ik volg Malouf dus graag in zijn bewering dat het de routes zijn die tellen en niet de roots. Ulrich Libbrecht zou zeggen, de vrij energie van de mens is veel groter dan de vrije energie van een boom. Een boom kan zich hooguit wat buigen als het stormt. Daar houdt het op. Dat klopt. Veel initiatieven heb ik een boom nog niet zien nemen. Integendeel. Ik zou het eigenlijk wel op prijs stellen mocht de kastanje in mijn tuin ooit inzien dat hij zijn bladeren in de herfst beter aanhoudt in plaats van afwerpt. Het zou mij een pak opruimwerk besparen. In de lente moet hij er anders toch nieuwe maken. En hij zou het warmer hebben in de winter.

Maar waarom maakt het mij dan gelukkig om hier in Frankrijk een verbondenheid te voelen met Blankenberge? Waarom was mijn motivatie om dit hele plan te ondernemen groter omdat het om mijn geboortestad ging? Voor een stuk was ik meteen gewonnen voor het idee om de stad, die vooral gekend is om zijn massatoerisme, in dat ander daglicht te stellen. Blankenberge is meer dan boules de l’Yzer op het strand (dat zijn Berlijnse bollen voor de niet-Blankenbergenaars) en ijsjes. Getuige hiervan de rijk gevulde cultuuragenda en de vele cultuurverenigingen van de stad. Ze staan evenwel altijd in de schaduw van een toren aan frigoboxen.

Maar die uitleg volstaat niet. Het “geboren zijn in” speelt toch zijn rol. Sociologen en psychologen voeren aan dat we de veiligheid van de stam opzoeken. Vertoeven in een gekende omgeving verkleint de kans om door een onverwachte tijger verscheurd te worden. Ik kan me echter niet ontdoen van het gevoel dat telkens die specialisten met een argument voor de dag komen dat verwijst naar onze oertijd, ik me de bedenking maak dat ze er zo altijd gemakkelijk mee weg kunnen komen. Het klinkt plausibel, dus zal het ook zo wel zijn. Maar het is verdorie toch niet zo lang geleden dat wij nog dagelijks wakker lagen van loslopende tijgers. Ik weet het niet. De geboorteplek heeft een impact. Kijk in de ogen van de velen die de oorlog  ontvlucht zijn en hier onderdak zoeken en je zal de hunkering naar de heimat zien. Ook al ligt deze vol met landmijnen en bommen.

Ik merk evenwel dat zodra die territoriumdrift groteske vormen aanneemt, het pas behoorlijk fout gaat. Getuige de krantenartikelen van vandaag, gisteren en de dagen daarvoor. De vele recente aanslagen hebben te maken de groep uit het ene territorium die zich te lang vergeten van, of belaagd of onderdrukt heeft gevoeld door de ander. Die groteske vormen zijn wat mij betreft het gevolg van het misbruiken van die heimathunkering. Grootmachten misbruiken ze om hun geopolitieke spel te spelen. Wie zei vorige week ook al weer “America first”? En de vele kleintjes zoals België, die misbruiken onze stamdrift om politiek-economische redenen wat hetzelfde is als kortzichtig. We kunnen de boterhammen niet voor heel de wereld betalen, dus sluiten we onze grenzen zodat wij toch geen honger gaan lijden. Vergeet echter niet dat  deze redenering uiteindelijk terugvalt op de geheel toevallige gebeurtenis van waar je moeder besloot je ter wereld te brengen. Ze houdt, met andere woorden, geen steek.

Laat ons dus maar werk maken van het opwaarderen van onze voeten. De mens als reiziger. De mens die geen grenzen nodig heeft om zijn identiteit te beschrijven. ‘’Ego mundi civis esse cupio’’, zei Erasmus. Ik wil een burger van de wereld zijn, of eerder een pelgrim. Een pelgrim wandelt. Een pelgrim is een reiziger. Zoals ik dit deze week ben, samen met mijn vader. We plaatsten ondertussen reeds 20 lichtbakens. Mochten uw voeten beginnen kriebelen, volg het licht.

En Blankenberge, dat draag ik dan mee als een foto van een geliefde. Een herinnering aan een fijn moment.

De versie voor Katrien

Sarah zit boos in een hoek op de speelplaats. De handen gekruist voor haar buik. Boven haar anders zo blije ogen, een diepe frons. Ze is boos op Kareltje. Kareltje is nochtans haar vriend. Al sedert de eerste kleutertuin. Ze zaten samen aan dezelfde tafel. De rode. Zij waren de vrienden van de rode tafel, samen met nog een ander meisje, Pippa. En nu had Kareltje gezegd dat Sarah toch niet zo echt tot de groep behoorde als hijzelf en Pippa. De papa van Sarah was immers niet geboren in het dorp waar Sarah en Kareltje woonden. De papa van Sarah was geboren aan de zee en op een dag was hij gewoon in het dorp komen wonen met zijn vrouw, de mama van Sarah. Zij was hier wel geboren. De mama van Sarah was een echte. De papa van Sarah was “niet echt”. Sarah begreep het niet. Haar papa was toch wel echt? En hij woonde al heel lang in het dorp. Sarah wist wel van die mensen die soms eens op bezoek in het dorp komen. Ze komen om te fietsen. Dan blijven ze een hele week en gaan dan weer naar huis. Dat die geen echte zijn, dat kon ze nog begrijpen. Maar haar papa? Hij was hier al lang en zou hier altijd blijven. Dat dacht Sarah toch.

Pippa vond het niet fijn dat Sarah zo verdrietig was. Ze kwam Sarah troosten: “Sarah, je moet niet zo verdrietig zijn. Het is niet waar wat Kareltje zegt”.

“Toch wel”, zei Sarah, “Mijn papa is hier echt niet geboren. Dus hij is niet echt zoals Kareltje zegt”.

“Trek het je niet aan”, zei Pippa, “Kareltje zegt dit gewoon om je te plagen”.

Maar Sarah was niet te troosten. Ze bleef in de hoek van de speelplaats op de grond zitten met de handen voor haar buik  gekruist en de diepe frons in haar voorhoofd.

Na schooltijd ging ze met mama naar huis. Sarah was nog steeds verdrietig en boos. Ze ging naar haar kamer en ging met haar knuffels op bed liggen. De Eekhoorn en de Poortwachter, het waren haar liefste knuffels. De Poortwachter was eigenlijk een soldaat, maar omdat Sarah nooit oorlog speelde had ze van hem een bewaker gemaakt van haar prinsessenkasteel. Zo kon die pop ook altijd meespelen.

“Zie je wel”, mompelde Sarah tegen zichzelf, “die poortwachter is ook niet echt een poortwachter. Hij is een soldaat. Maar toch mag hij meespelen. Waarom mag ik dat dan niet?”

“Kareltje is trots op zijn papa”, zei de poortwachter plots.

Sarah kon haar ogen en vooral haar oren niet geloven. Sprak die pop nu tegen haar?

De poortwachter ging verder: “Gisteren stond de opa van Kareltje in de krant omdat hij 100 jaar was geworden. Kareltje’s opa is de oudste van het hele dorp. En gisteren ging de hele familie samen met de burgemeester op de foto om dat te vieren. In de krant stond geschreven: 100 jaar en een echte Zingemnaar. Daarom zegt Kareltje dat zijn opa echt is, en zijn papa ook en hij dus ook.”

Sarah wist niet dat de opa van Kareltje zo oud was. 100 jaar. Dat was pas echt heel oud!

De poortwachter zei: “Jouw papa is dan misschien geen echte Zingemnaar, maar  hij is wel een echte Blankenbergenaar. Hij komt van Blankenberge. Hij is van Blankenberge naar hier gereisd om hier te wonen. Dat is heel ver. Dus jouw papa is ook heel echt, een echte Blankenbergenaar en een echte reiziger. Hij is dan wel geen 100 jaar, maar hij heeft wel 100km ver gereden om hier te kunnen wonen. Dat is ook bijzonder.”

“En wij zijn echt van de rode tafel”, zei Sarah plots luidop. “Hier hebben we altijd al gezeten. Dat is echt waar. Wij zijn dus ook echt, evenveel. Het gaat er niet om van waar je komt.”

“Bravo!” zei de eekhoorn, “Je hebt het begrepen.”

Hé, spreekt die eekhoorn nu ook? Zijn die nu ook echt?

De lichtmeridiaan: 2. De romanticus en de cynicus

hayencourt

Is het u ook al opgevallen dat er vele parallelle werelden zijn waarin wij ons bevinden? Parallel aan wat u doet, doet iemand anders…iets anders. Nu zal u zeggen dat dit nogal evident is, maar feit is dat u met veel mensen waarmee u nauw verbonden bent, denk hierbij aan familie, vrienden en zeker collega’s, zich in dezelfde wereld bevindt. U leeft met uw gezin, u werkt met uw collega’s en u communiceert dan ook dagelijks met hen over het reilen en zeilen van deze respectievelijke werelden.  Op hetzelfde ogenblik doen mensen die u niet kent, net hetzelfde. U weet niet wat zich daar afspeelt. U staat daar niet echt bij stil omdat het niet echt belangrijk is en vooral omdat u deze mensen niet kent. U staat zelfs niet stil bij het feit dat in uw dorp of stad alleen al, al snel duizend mensen samen met u opstaan, hun tanden poetsen en ontbijten, net zoals u, maar dan toch anders. Maar maak nu heel even de korte denkoefening en vraag u af wat Leonardo Di Caprio gisteren deed terwijl u uw boodschappen deed. Of welke pyjama Barack Obama aantrok om te gaan slapen op het ogenblik dat u wakker werd. Dat is een echte parallelle wereld. U kent die mensen wel ergens van, maar staat niet stil bij wat ze echt dagelijks doen.

Ik schrok toen ik achter het stuur plaats nam van de camper die de komende week mijn thuis zou zijn voor de reis die ik met mijn vader zou aanvangen. Ik zette de radio aan en hoorde hoe een vluchteling zich had opgeblazen met een rugzak vol explosieven en metaal in de nabijheid van een muziekconcert. Hij vertegenwoordigde daarenboven het derde geval van zinloos geweld – bestaat er een andere soort?  – in Duitsland in amper enkele weken. Ik was niet op de hoogte. Ik had het nieuws niet gevolgd. Zelfs niet het ontwrichtende wereldnieuws dat ons continue teistert! De reden? Ik was te druk bezig met het organiseren en voorbereiden van dit onverwachte reisproject. Ik had mezelf zo’n 72 uur van de wereld afgesloten om alles te doen wat nodig was om deze reis te kunnen aanvatten. En ik wist dus niet wat er met de wereld ondertussen was gebeurd. Was ik onverschillig geworden voor wat echt belangrijk was? Neen, uiteraard niet, maar de vaststelling dat ik het wereldgebeuren aan mij had laten voorbij gaan, deed me opnieuw stil staan bij de relevantie van wat ik had ondernomen. Ik zou 48 kleine tuinlichtjes gaan plaatsen ergens in Frankrijk en hierbij uitroepen dat ik de wereld wou verbeteren? Hoe verhoudt zich dit tot de vele ernstig werkende wereldleiders en hun bekwaam personeel om de wereldproblematiek het hoofd te bieden? 48 plastic tuinlichtjes die eigenlijk amper lichtgeven. Wat is de relevantie hiervan? Maak ik me niet belachelijk?

De romanticus vindt deze onderneming zeer relevant. Als iedereen zijn schouders onder de wereld zet, dan kunnen we ze optillen, zo denkt hij. Daar heb je Atlas niet voor nodig. Hij gelooft in het goede in de mens, ook klopt de wiskunde niet helemaal. De spierkracht van alle gezonde mensen op deze planeet kan echt de Aarde niet optillen. De cynicus vindt het maar niets. Al die energie die hieraan wordt gewijd, is energie die niet kan aangewend worden iets echt nuttigs te doen. De wereld, en bij uitbreiding het Universum, is een min of meer gesloten systeem zo weet u wel, waar de wetten van de thermodynamica van toepassing op zijn. Er is maar zoveel energie als in het universum aanwezig is en er gaat niets verloren. Als u dus uw boterham met veel aandacht smeert, dan is die aandacht niet meer beschikbaar om een sudoku-puzzle op te lossen.

Wie van beiden heeft het bij het rechte eind?

De cynicus heeft minstens de thermodynamica aan zijn kant en dit kan toch wel tellen. De romanticus steunt echter, zonder dat hij het evenwel beseft, want romantici doen niet zo graag aan theorie, op een heel ander principe: de wet van anti-entropie, aan mij uitgelegd door professor Ulrich Libbrecht. De mens en haar hele soort handelt anti-entropisch. In normale taal gezegd: de mens handelt tegennatuurlijk. Daar waar de natuur naar totale chaos neigt – denk aan uw tuin die u bij het aanvang van de lente even geen aandacht geeft en in een schitterende wildernis verandert – zo probeert de mens altijd en overal structuur in te brengen. Zeg nu niet meteen dat ik misschien uw partner of kinderen niet ken – structuur en orde is hen misschien ook vreemd. Dit bedoel ik niet. Ook uw zeer slordige partner, collega of kinderen, streven naar orde. Met orde bedoelen we dan dat ze, zelfs in hun wanorde, structuur hebben. Er is de rommelhoek in de woonkamer en er is nog een tweede rommelhoek, in de slaapkamer. En de rommel uit de slaapkamer wordt zelden in de woonkamer gelegd. Dat is structuur. De mens denkt na, analyseert en organiseert. De mens vindt de elektrische auto uit, nadat hij eerste het wiel had bedacht en een pak andere tussenliggende uitvindingen gaande van het smelten van ijzererts tot het bedenken van de verzekeringspolis die een zelfrijdende auto moet dekken.

Het is op dit principe van anti-entropie dat het hele project van de 48 kleine lampjes steunt. Slechts een mens is in staat om op het van de pot gerukte idee te komen om 48 lampjes over een afstand van 1.200 km met een tussenafstand van 25 km doorheen Frankrijk te zetten op één denkbeeldige rechte lijn. Een gemiddelde koe is daar niet toe in staat. Een bonobo ook niet. Een mens wel. Maar de 48 lampjes veroorzaken wel het  een en ander. Een pak mensen glimlachen bij het observeren van dit idiote plan en laten er zelfs hun aardappelen voor op het vuur staan. Ze raadplegen met vaste regelmaat Facebook waar ze elk uur een nieuw lampje ontdekken ergens op een onbekende en vaak onbeduidende plek in het Franse landschap. Sommigen gaan nadenken, sommigen niet. Sommigen nemen zelf een foto van het lampje als er ze eentje vinden. En wie weet zal één van die ernstige wereldleiders zo aan een suggestie komen waar zijn medewerkers verder op kunnen werken. Het verhaal van de vlinder die flappert boven de Amazone en zo bij ons een orkaan veroorzaakt, weet u wel? Toch thermodynamica, hoor ik de cynicus al denken.

Een heel ingewikkeld betoog om u dus te vertellen dat ik, en ook mijn reisgenoot mijn vader, ons gesterkt voelen in onze onderneming, als we zien hoe u onze exploten volgt op het internet en hoe we dus volharden en morgen opnieuw een tiental lichtbakens, want zo noemen we onze tuinlichtjes graag, zullen uitzetten.

Morgen vertel ik echt iets over onze reis, beloofd, maar dit moest er toch even uit. Dank om ons te volgen.

De lichtmeridiaan – 1. voorwoord

2016-07-21 23.06.06

1

Dit is een reisverhaal. Een reisverhaal over een lichtstraal. Een lichtstraal die zich exact langs de lengtegraad  O 3°7’45” een weg baant van de Noordpool naar de Zuidpool. Het eerste deel van haar reis, zo’n stevige 4.000 km, reist het licht over de zee om in Europa aan land te komen op het strand van Blankenberge. Exact op de plaats waar de lichttoren van het casino staat. Je zou kunnen zeggen dat die plaats niet toevallig is. Als het verhaal over een andere lichtstraal, deze die over O 3°7’46” reist, had gegaan, dan had het licht het casino rakelings gemist en was het verhaal wellicht zo spannend niet geweest. Feit is echter dat het casino niet bepalend was voor de keuze van de lichtstraal, maar wel een plek ergens in het binnenland, in Roeselare. Daar besluit een handelaar in modern design iets origineels te doen met een stuk grond dat hij bezit. Hij besluit er een museum op te zetten: Muze’um L. De lengtegraad waarop dit museum ligt is O 3°7’45”. Hij vraagt de architect van zijn museum om het gebouw zo te ontwerpen dat, als de zon op haar hoogste punt boven het museum hangt, er een lichtstraal valt op de meridiaan van het museum. De lichtmeridiaan was geboren.

Een lichtstraal stopt echter niet bij de randen van het gebouw, zelfs niet bij de randen van het perceel waarop het gebouw staat. Licht is vrij en baant zich een weg overal doorheen en dus ook tot op het strand van Blankenberge.

De lichtstraal raakt niet alleen het casino, maar ook het hart van een plaatselijke bestuurder van de stad. De handelaar en de bestuurder vinden elkaar op het pad van het licht en bewijzen hun stelling dat licht verbindt. Deze vaststelling en het feit dat de wereld nood heeft aan verbindende ingrediënten, doen hen besluiten om de lichtmeridiaan aan te wenden  om de wereld te helpen, misschien zelfs te redden.

2

Wat is licht?

Licht is een elektromagnetische straling. Het is het deel straling dat we met ons blote oog kunnen waarnemen, van het warme infrarood tot het gevaarlijke ultraviolet. Straling is de wijze waarop energie, in ons geval voor 99% afkomstig van de zon, zich manifesteert. En energie is alles. Energie is leven. Licht is energie die ons mogelijk maakt te leven.

Energie en licht zijn neutraal en altijd voor iedereen beschikbaar. Tenzij je ergens onder de grond of in een kerker vast zit, heb je altijd licht ter beschikking. Het is het enige universele levensbelangrijke element dat zich niet beperkt tot de ontwikkelde wereld. Overal, ook daar waar hongersnood en oorlog heerst, is er licht en dus energie. Beschikbaar voor iedereen, ongeacht levensbeschouwing, taal, ras, of maatschappelijke status.

Reizen met het licht is dus bij uitstek het geschikte medium om mensen te verbinden.
En dat verbinden hebben we nodig. De wereld lijkt vandaag op een brownie – het is het beeld dat me plots te binnen schiet, ook al eet ik eigenlijk geen brownies – die te lang op tafel heeft gelegen, uit de verpakking. De substantie is aan het uitdrogen. De chocolade wordt met de dag meer korrelig en zodra je de brownie ook maar beroert, beginnen er stukken af te vallen. Een goede brownie heeft een smeuïge kern van bijna vloeibare chocolade die alles bij elkaar houdt. We moeten opnieuw die kern smeuïg maken. De wereld moet terug meer vloeibaar worden voor ze helemaal verbrokkelt.

We reizen om te leren, zo wordt ons vaak voorgehouden. Die boutade is echter de basis van verdeeldheid. Ze houdt in dat de reiziger iets ontdekt. Hij of zij leert iets nieuws. Het is nieuw omdat het bij de reiziger onbekend was. De wereld van de reiziger is dus het onbewuste referentiekader waardoor wat de reiziger ervaart, hij als als nieuw gaat beschouwen. Dat onbewuste referentiekader is nu net zo verraderlijk. Wat je kent, is reeds aanvaard. Wat je niet kent, is dat nog lang niet. Wie reist om te leren, maakt de facto een onderscheid tussen wij en zij. Er is de reiziger en er is de ander. In het beste geval is de reiziger open van geest en laat hij al het nieuwe binnen. In het minder goede geval is hij tolerant, wat betekent dat hij het vreemde toelaat in zijn wereld, die hij evenwel als de norm beschouwt, anders zou hij niet tolerant kunnen zijn. Hij laat een afwijking toe op wat hij normaal vindt. De tolerante reiziger plaatst zijn norm moreel boven de andere. In het slechtste geval bestrijdt hij het nieuwe en probeert hij het onbekende om te vormen naar wat hij weet, naar waar hij bij zweert. Hij evangeliseert zijn waarheid. Hij verwijdert elke afwijking.

Wie echter reist met het licht is niet open van geest, maar neutraal. Je zou kunnen zeggen, onverschillig. Maar ik verkies neutraal. Dat klinkt minder negatief. Onverschillig is echter wel het juiste begrip. On-verschil. Geen verschil. De zon is van iedereen. En iedereen is van de zon. Dat zeiden de hippies van weleer ook, maar die maakten de fout hun zonne-inzicht te gebruiken om zich af te zetten tegen kapitalisme en materialisme. Plots was de zon toch niet meer voor iedereen gelijk.

Maar we houden het op neutraal. Wat de zonnereiziger ontdekt, beschouwt hij evenwaardig aan wie of wat hij zelf is. Het is gewoon anders. Reizen met het licht is meer dan leren, het is ervaren en beleven. De zon schijnt niet alleen op jou, maar ook op de boom waartegen je leunt om even uit te blazen. Soms ben je één met de boom. Reizen met het licht  is samenvallen met de omgeving.

3

Een vader en een zoon zijn op weg om de zoon van de zoon, de kleinzoon dus, op te halen op een plek in het buitenland. Dat is het reisdoel. De kleinzoon is met vakantie bij vrienden, zo’n 1.300 km ver weg, in Spanje. Heel toevallig bevindt de kleinzoon zich op exact  O 3°7’45”.  De vader van de vader, de grootvader dus, en de kleinzoon, dragen allebei exact dezelfde naam. We zullen ze hier allebei F noemen. F staat voor de grootvader, f staat voor de kleinzoon. De kroniekschrijver van deze reis is de zoon van F. Dat ben ik. Mijn naam begint niet met een f. Maar we wijken af. Wat je moet weten, is dat ze weg van lichtstraal zullen volgen om hun reisdoel te bereiken. Ze reizen vijf dagen lang langs O 3°7’45”.

Tot slot is er nog één element dat van belang is vooraleer het reisverhaal kan starten: we zullen de reis aan een gemiddelde snelheid van 40 km/u afleggen. Dit zorgt ervoor dat we het verhaal überhaupt kunnen vertellen. Mochten we aan de snelheid van het licht reizen, dan waren we reeds voor het eerste woord van de eerste paragraaf was neergepend, op onze bestemming. Dan zou dit verhaal zelfs de lengte van een haiku niet halen en zouden we dus weinig te vertellen hebben. In dit verhaal is de lichtsnelheid dus 40 km/u. Dat betekent heel wat als u de relativiteitstheorie van Einstein kent.

Maar goed, laat ons de reis aanvatten en op zoek gaan naar  de mogelijkheden tot verbinding. Op weg langs O 3°7’45”. De vader, de zoon en de kleinzoon.

Zoals ik al zei, Drievuldigheid.

*Citaatfragment van Zhuangzi; chinees wijsgeer. De uitdrukking verwijst naar het feit dat je eerst een leeftijd moet bereiken om het inzicht dat door de ervaring ontstaat, te kunnen begrijpen.

Foto: het licht komt op 21 juli 2016 aan land in Blankenberge.

 

De Gele Ballon

http://www.prentenboek.nl/wp-content/uploads/2015/01/gele-ballon1.jpg

Geconcentreerd speurt ze elk plaatje zeer nauwgezet af, zoekend naar een gele ballon. In overvolle tekeningen zit hij diep verstopt. Op elke pagina van het boek is er een ballon aanwezig. Het lezen van dit boek, is de zoektocht naar de ballon. En zoals dat gaat met tochten, is het de weg naar het doel die het zo boeiend maakt. Haar ogen zweven over de tekeningen. Ze ontdekt dat de vele personages in de tekeningen ook allemaal een verhaal hebben dat duidelijker wordt naarmate je steeds verder bladert en zoekt. Ze kirt het uit als ze uiteindelijk het ronde gele ding gevonden heeft. Ze slaat het blad om en gelukkig kan ze opnieuw haar zoektocht herbeginnen en de wondere levens van al wie in het boek leeft, van dichtbij ervaren. Ze is vijf en zit op een stoel, al meer dan een uur op een wijndegustatie, waar haar ouders haar mee naartoe gesleurd hebben. Gelukkig had de wijnhandelaar dit schitterende boek klaarliggen voor haar: De Gele Ballon.

Ze is ons dochter.

Onderweg naar de wijnproeverij waren mijn gedachten gevuld met ontgoocheling en leegte. Enkele uren ervoor waren er weer onschuldige slachtoffers gevallen ergens ter wereld. En het feest dat het voetbal moest geworden zijn, leek ook al meteen de toestand van de wereld te weerspiegelen. Die wereld lijkt geen antwoord te hebben op de vraagstukken die op tafel liggen. Ik betrapte mezelf er opnieuw op dat mijn ongeloof in het vinden van oplossingen weer de kop op stak. Fatalisme. Daarom wou ik het afgelopen jaar niet meer schrijven. De vele jaren managementadvies en enkele jaren werken met en voor onze beleidsorganen hadden mijn idealisme en naïviteit van weleer behoorlijk vernietigd. Maar als de wortels stuk gaan, dan sterft ook de plant. Wat baat het om in de graskant te zitten en te kijken naar diegenen die de inspanning leveren? Ik voelde dat ik me opnieuw ging neervleien in die graskant, en dat op een ogenblik dat een nieuw verhaal moest geschreven worden.

We reden naar huis met een koffer vol wijn, zonder verhaal. De graskant kwam steeds dichterbij. “Schrijf iets over die ballon”, zei mijn vrouw en ze toonde opnieuw aan dat ze op het juiste moment de juiste tip kon geven. Ik bedacht dat als de oplossing zo moeilijk te vinden is als het zoeken van een gele ballon, dan kan het niet anders dan boeiend worden. En mijn dochter had bewezen dat het kon.

Een klein jaar geleden liet ik me in met een gezelschap dat zich rond professor Ulrich Libbrecht had geschaard. Het levenswerk van professor Libbrecht, vele jaren emeritus ondertussen, betreft het zoeken naar een manier om de vele culturen die onze wereld bevolken een plek te kunnen geven zonder dat de ene zich superieur gaat gedragen ten opzichte van de andere. Zijn wereld is de wereld van de comparatieve filosofie. Actueler kan het niet. Ik volgde in een ver verleden les bij Libbrecht. Hij had het vaak over die graskant en hoe we de keuze hadden om erin te gaan zitten of niet. Hij inspireerde me tot het schrijven van een boekje “de Kikker”. Nu werd ik opnieuw in de wereld van Libbrecht getrokken. Mijn managementkennis wordt nu aangewend om een losse groep vrijwilligers tot een waar Libbrechtgenootschap om te vormen. Een genootschap dat zich tot doel stelt om de visie van Ulrich Libbrecht, zoals dat heet verder te ontsluiten zodat we de wereld een beetje meer begripvol en empathisch zouden maken. Het genootschap laat me toe opnieuw wat idealist te zijn.

Ik volg het voorbeeld van mijn dochter en ga met het Libbrechtgenootschap zoeken naar die gele ballon. Alleen dat kirren lukt nog niet.

Met dank aan:

  • Joost voor de wijn
  • Els voor het boek De Gele Ballon (Charlotte Dematons)
  • Mijn vrouw voor de tip
  • Mijn dochter om het voorbeeld te geven