Naar bomen kan je best luisteren

Op het kastje staan twee foto’s. Twee oude mannen kijken me aan. Dat doen ze al sedert 1972. Toen keek de jongste voor de laatste keer. Sindsdien kijkt hij me onbewogen toe. De andere foto is minstens twintig jaar ouder en kijkt dus al meer dan zestig jaar voor zich uit. Hij kijkt over zijn schouder, geposeerd, filmstergewijs. En zoals bij filmsterren wordt hij hierdoor minder benaderbaar. De andere kijkt met de deemoed die hem kenmerkte.

Het zijn mijn grootvaders en ik heb slechts één gekend tijdens mijn eerste zes levensjaren. Sindsdien ben ik grootvaderloos. Is het omdat ze er niet zijn, dat ik naar ze kijk? En dat ik hun foto’s op mijn kast heb staan. Waar kijk ik naar? Naar een betekenis die hun beeld gekregen heeft? Een foto is gewoon een foto. Een weergave van wat werkelijk was. Een illustratie van de wereld die gebeurd is. Een foto krijgt betekenis als die werkelijkheid van toen, je handelen vandaag beïnvloedt.

De zo gekende violen van John Williams’ thema van de film Schindler’s list herinneren mij niet aan het kleine meisje met de rode jas uit de film. De melodie is onlosmakelijk verbonden met het ogenblik dat ik vernam dat de vrouw van één van de bovengenoemde mannen overleden was. De violen hebben een betekenis gekregen, anders dan waarvoor ze bedoeld waren. Een salontafel, die je vandaag met wat goede wil vintage zou kunnen noemen, staat nog steeds in mijn huis omdat één van die mannen ze heeft gemaakt. De tafel heeft een betekenis die verborgen zit achter haar functie. Een betekenis die ik alleen ken.

Het valt me op dat de betekenis van iets zich pas laat zien als de functie niet nodig is. Ik zit zonder reden in de lege kamer bij de tafel die geen rol te vervullen heeft. De tafel is leeg. Haar betekenis komt tevoorschijn. Zodra de tijd met nutteloosheid wordt gevuld. Nutteloosheid. Tijd loos van nut. Ze brengt betekenis voort. Inhoud. De foto, de muziek en de tafel veranderen de rivier die door de steen in de rivier is veranderd. En zo blijft de steen de rivier veranderen, ook al heeft het water de steen geduldig tot zandkorrels vermalen. Het is de troost voor wie achterblijft met natte voeten.

In de tuin staat de appelboom die een jaar geleden, zoals dat gaat, toevallig de hoofdrol kreeg in een verhaal. De appelboom is het meisje dat toen ook voor de laatste keer keek. Het meisje wou een appelboom. Het meisje in de appelboom geeft mij energie zoals de foto en de tafel. Maar alleen als ik geen appel wil eten. Dan vertelt de boom het verhaal van het meisje. En dat verhaal moet verteld worden. Naar bomen kan je best luisteren. Dat zei een van de mannen op de foto.

De suikerboon

(verhaal hernomen nav. het overlijden van Prof. Ulrich Libbrecht)

 

Onthutst lag de witte suikerboon in het mandje. Hij begreep helemaal niet meer wie hij was en wie die anderen dan wel waren. Die anderen, dat waren de hele verzameling bruine suikerbonen. Toen hij, tijdens het verpakkingsproces, als bij toeval als enige witte boon bij allemaal bruine bonen was terecht gekomen, waren deze laatste danig geschrokken. Wie was die witte boon? En vooral, wat was hij?

De wereld van de bruine bonen werd gedomineerd door de cacao. Aan het percentage cacao werd de status van de boon afgemeten. 70% cacao was “echter” dan 50%, hoewel de 50% toch meer populair was. Maar hij had geen cacao in zich. Hij was gevuld met een amandelnoot. Hij kreeg maar niet uitgelegd aan zijn ogenschijnlijke soortgenoten dat hij ook een suikerboon was, van een ander type. De bruine bonen konden er zich moeilijk in vinden. Ze hadden dan maar besloten dat hij, de Witte, een boon met 0% cacao was. De Witte voelde er zich niet goed bij. Hij was een suikerboon en had inderdaad 0% cacao in zich. Maar hij vond die manier om zich te beschrijven fout, zeker als je status er ook nog eens van ging afhangen.

Plots voelde hij een vorm van geluk en zelfbevestiging. Hij werd als enige gegrepen door het kind, dat de boon in de mond stak. Zachtjes zuigend aan de suikermantel. Hij wist weer waarom hij er was.

Martha: Prima Vista

Je hebt die avond zo fijn met mij gesproken, dat alle bloemen zich begonnen te tooien. Plots werden we verliefd en zijn ze ontloken (EV).

We hadden elkaar nog nooit ontmoet maar vonden elkaar moeiteloos op dat zonovergoten terras. Niet dat dit een teken was van de voorspoed die onze relatie zou kenmerken. Het is heel normaal dat je iemand opmerkt die aarzelend maar toch reikhalzend zit te kijken naar elke nieuwkomer die het terras betreedt, zeker als die nieuwkomer zelf op zoek is naar een onbekende.

Een blind date dus, hoewel de naam de lading helemaal niet dekt. Bij de ontmoeting met een vreemde geef je immers je ogen de kost. Je zoekt, je kijkt en je wil vooral bevestigd worden in het feit dat de vrouw of de man van je dromen, of toch een mooie benadering ervan, voor je zal zitten.

Je vulde mijn verwachting in. Breed glimlachend zat je aan een tafeltje, een helder glas water voor je uitgeschonken. De zon had je overtuigd om je onthullend te kleden. Een ogenschijnlijk eenvoudig topje, zwart, en heel uitnodigend. Een losse broek, eco-merksandalen. Een contradictie die je zou kenmerken. De tepels van je borsten priemden door de zomerstof. Ik vermoed dat je dit zeker wist. We aten een fris en kleurrijk slaatje. Het plaatje paste perfect.

Geheel tegen mijn verwachting in nam jij de conversatie in handen. Directe open vragen vuurde je op me af. Of ik vaker onbekende vrouwen opzocht? En of ik alleen was? Je had geen omwegen nodig om meteen te weten wie er voor je plaats had genomen. Ik was aanvankelijk onthutst, maar vond je directe aanpak verfrissend. En besmettelijk. Het gaf me de vrijgeleide om jou immers ook enkele vragen te stellen die ik anders amper over mijn lippen zou krijgen. Ik vernam vlot al je interesses, de essentie van je leefwereld en begreep dat je toegankelijk was. Heel snel wisten we dat we allebei geen obstakels hadden die ons zouden verhinderen om enkele uren later, zoals dan ook gebeurde, in je bed te belanden.

Een nieuw huis betreden is altijd een avontuur. Een nieuwe slaapkamer al heel zeker. De bloedhete temperatuur van die dag trok zich door naar de nacht. Je sliep op de zolder van je kleine woning. Boven je bed een dakraam. We zouden naar de sterren kijken. Beneden hadden we ons al uitgekleed. Het voelde evident aan om bij dergelijke hete temperaturen je kleren uit te trekken. Je had me uitgenodigd om naakt het gazon van je tuin op te lopen. Het gras was al nat. Je rug was caramel-bruin. Ik weet dat ik toen die kleurtint bedacht. De keukentafel bleek geen geschikte plek om de verkenningstocht aan te vangen. Ik volgde je langs het smalle trapje naar je kamer. Het maanlicht satineerde je schouderbladen en vooral je welgevormde billen. Het mooiste beeld dat ik ooit had gezien.

We vreeën zoals ervaren muzikanten die een nieuwe partituur voor zich zien staan. Prima Vista. We beheersten ons instrument en ontdekten met de nodige spanning elke volgende maat die de partituur ons voorschotelde. Prima Vista. Op het eerste gezicht. Geen liefde, wel seks. Maar ook intimiteit en geborgenheid. Dit was geen vluchtige passage, hoewel ik op voorhand wist dat ik die nacht nog zou vertrekken. En niet zou terug keren. Dat was de discipline die ik mezelf had opgelegd. Nog één keer streelde ik je borst, nam ik je tepel tussen mijn vingers en voelde ik je satijnen hals met mijn lippen. Ik proefde je zweet. De opkomende zon verdreef je geur. Wat overbleef was een herinnering  die met maanlicht in mijn geheugen werd geëtst.

Martha: Heldere uren

“Wie oud wordt, denkt dat de heldere uren zullen afnemen. Dat het geheugen gaten zal vertonen, die steeds groter worden, zoals de ladders in een kous. Op den duur is de kous verdwenen. Wie oud wordt, probeert kousen te stoppen. Lost kruiswoordraadsels op en gaat overbodige cursussen volgen. De hersenen zijn een spier en die moet getraind worden. Geheugen en hersenen worden vaak verward. Bewustzijn zit niet alleen in het hoofd. Het zit in ons ganse lichaam.
Elke fotograaf weet dat de mooiste foto’s genomen worden in de vroege ochtend of vroege avond. Helder licht verhindert het zien van schoonheid. Helder licht toont je de mechaniek van de werkelijkheid. De radertjes van een klok onder een vergrootglas, de cellen van een organisme onder een microscoop. Helder licht onthult de details en verhult het leven.
Heldere uren daarentegen zijn mistig. Heldere uren zijn die momenten waarbij alles samen valt, de tijd stil staat, het moment het enige is dat er is. Heldere uren zijn die plaatsen in je geheugen waar geen tijd bij genoteerd staat.

Heldere uren zijn toen mijn hoofd op zijn borstkas lag en ik het kloppen van zijn hart hoorde. Zijn arm om mijn lichaam, zijn hand op de naakte huid van mijn heup. We praatten niet, maar hoorden van elkaar hoe we onze dag overliepen. Onze gedachten, gesynchroniseerd door zijn borstkast die langzaam omhoog en omlaag ging. Mijn lichaam dat mee veerde. Mijn ademhaling mee op zijn cadans zoals een jogger die een andere bijbeent. Mijn borsten tegen zijn zij, als ware het offergaven, mijn tepels die over zijn ribben schoven, niet veel, een beetje tegengehouden door het zweet dat zich tussen onze lijven ontwikkelde. Twee lichamen, twee temperaturen. Het zijne warmer dan het mijne. Hij hield van mijn koele huid. Dat had hij gezegd.

We vielen in slaap. Ik denk dat ik als eerste sliep. Dat hij langer wakker lag en naar mij keek. Dat is hoe ik het me wil herinneren: dat hij naar mij keek terwijl de blauw-zilveren nacht van mij bezit nam. Zijn hand zacht strelend over mij schouder, mijn borst. Zijn vingertoppen die mijn tepel maar net bereikten. En die wakkerder was dan ik. Eens de wereld met mij sliep stond hij op, kuste me en reed weg. Het blauw was zwart geworden. De warmte van zijn lichaam bleef achter in de lakens waarin ik mij verborg.
Ik zag hem nooit meer terug. Ik wist alleen dat hij van mijn koele huid hield. Meer niet. Meer heb ik nooit geweten. Met de opkomende zon verdwenen de heldere uren.”

Instagram

Met vijf stonden ze samen rond het klassieke plastieken receptietafeltje dat overtrokken was met een voor de gelegenheid gouden hoes in stretchtextiel. Deze editie moest als een waar feest worden gezien. Nog nooit waren er zoveel nieuwe leden. Nog nooit hadden ze zoveel aandacht gekregen. De sfeer was echter niet zo uitbundig als de organisatoren het hadden gewild. De betrokkenen voelden zich gefaald. Zij hadden het niet kunnen vermijden. Meer nog, ze geloofden niet dat ze het ooit zouden kunnen tegenhouden, met hoeveel ze ook zouden zijn.

Het was het nieuwjaarsbal van veiligheid. De bodyscanners, de bewakingscamera’s en de slagbomen, ze waren er allemaal. Eén keer per jaar mochten ze hun plek verlaten. Niemand wist wanneer het feest zou plaats vinden. Het zou immers een groot veiligheidsrisico inhouden. Maar één keer per jaar kwamen ze samen, enkele dagen na nieuwjaar, als de moeilijkste momenten voorbij waren. De slagbomen hadden het feest aanvankelijk bedacht. Ze waren toen nog alleen. De camera’s bestonden nog niet, laat staan de hypermoderne scanners. Nu stonden ze wat afzijdig mee te luisteren naar het wel en wee van die moderne hippe nieuwelingen. Ze deden waar ze goed in waren. Af en toe ja-knikken. Ze hadden niet veel te vertellen. Ze hadden het allemaal al gezien.

De camera’s voerden het hoogste woord. Hoe van hen verwacht werd dat ze elke beweging zouden opmerken, nog voor de beweging verdacht was. Nog voor er een beweging was. Toegegeven, ze waren er steeds beter in geworden. Ze konden nu gezichten onderscheiden en nummerplaten herkennen. Sommigen konden, als ze samenwerkten, zelfs snelheden berekenen en aangeven of het risico bij impact niet te hoog zou worden. Maar met al die nieuwe mogelijkheden was ook de stress toegenomen. Er werd altijd naar hen gekeken als het mis ging. De beeldkwaliteit was dan toch niet zoals beloofd als er een verdachte moest geïdentificeerd worden. Of het incident gebeurde als ze net even de andere kant opkeken.

Daar waar ze vroeger gezien werden als echte hulp voor de veiligheid, als extra ogen voor die agent die ervoor moest zorgen dat de massa zonder kleerscheuren bij de uitgang kwam, werden ze nu als spionnen ingeschakeld. Alles was verdacht tot het tegendeel bewezen werd. Vroeger was het net andersom. De slagbomen knikten.

De scanners waren het meest ontgoocheld. Niemand had waardering voor hen. Ze hadden al de reputatie pervers te zijn. Dat ze door textiel konden kijken en de meest intieme delen van een mensenlichaam in kleur konden laten zien. In de film, ja, daar werden de beelden onbeschaamd getoond. De echte professionals hielden het discreet. Maar nu stonden ze zo op scherp dat ze biepten en zoemden bij elke doorgang. Bezoekers, passagiers, ze waren als de dood voor de veiligheidspoortjes en die opdringerige ping-pong-paletten die onder oksels en tussen beenholtes werden gestopt. Nee, de scanners hadden er weer een jaar van onderwaardering op zitten. En dat tikte aan.

Eén van de nieuwelingen had een idee. Als ze nu eens de mooie momenten zouden vastleggen? Als ze nu eens een foto zouden nemen van een opa die met zijn kleinkind met een ballon in de hand de straat over steekt? Of van die mama die trots haar baby laat zien aan haar vriendin die voorbij komt? Of twee vrienden die, afgepeigerd maar bijzonder voldaan, van het voetbalveld stappen? Hij had connecties met Instagram zei de nieuweling. Hij zou iedereen wel online krijgen. Allemaal foto’s van het mooie dat zich onder hun lenzen afspeelden. Op grote schermen. Op het internet. De camera’s werden er zowaar opgewonden van.

De slagbomen keken naar elkaar en begrepen het niet? Instagram?

Tijd

italiaanse-klok-gr

De klok in de keuken is gisteren stilgevallen. Een keukenklok die stilvalt, valt op. Hij is immer de dirigent van het leven dat zich in huis afspeelt. Hij valt temeer op, omdat het zo’n opzichtig groot exemplaar uit de Zweedse meubelwinkel van ons allemaal is. Te groot voor de muur waarop hij hangt. Maar we zijn graag mee met onze tijd. Sedert twee dagen leven we zonder tik, zonder tak. Tegelijkertijd met het stilvallen van de klok, is ook het leven wat stiller gevallen. Minder gejaag, minder gehaast, minder frustratie omwille van die beperking van zestig seconden in een minuut. De wereld ziet er mooier uit zonder klok. De tijd kan het niet helpen, maar ze is de maatstaf geworden voor wat goed is. Snel en efficiënt handelen is goed. Lang leven ook. Kort leven niet. Maar neem de tijd weg en het goede krijgt een nieuwe invulling.

Als we de wereld in jaren, dagen, uren of seconden uitdrukken, dan beheerst het onvoltooide onze gedachten. Dan zijn zestig seconden frustrerend en elf jaar alleen verdriet. Maar soms heeft men negentig jaar nodig om er nog niet in te slagen om te maken wat kon gemaakt worden. Soms kan het in elf jaar. Ook al was het te kort. Het meisje werd alles in elf jaar tijd. Ze verlegde een steen in de rivier.

En toch.

Ook al hang ik met mijn voeten in de nieuwe loop van de rivier, toch ontsnap ik niet aan het verdriet dat de tijd me aandoet.

Appelboom

appelboomjpg

Ook al heeft de zomer het moeilijk om afscheid te nemen van mijn tuin, de natuur laat zich niet dicteren. Ze volgt haar eigen ritme, het ritme van de seizoenen. Achteraan begint de kastanje reeds zijn eerste bladeren af te schudden. De kerselaar zal binnenkort volgen. Ook in de tuin staat een kleine appelboom voor wie de herfst al enige tijd begonnen is. Het boompje is ziek en verliest zijn kracht.  De appels zijn niet de vruchten geworden die het in gedachten had. Niet alle plannen worden gerealiseerd, zelfs deze van de natuur niet.

Het lijkt zo fout. Bomen die niet doorgroeien. Het is zoals een verhaal dat ergens in een paragraaf gewoon stopt. De lezer achterlaat met enkel het blad. Het blad dat tot niets meer dient, zonder letters. Een blad zonder letters, leven zonder vorm.

Met het vallen van de kastanjebladeren, het verkleuren van de kerselaar en de beukenhaag, het vertraagde groeien van het gras, lijkt het alsof de tuin meeleeft met de strijd die de appelboom voert. Bomen zijn gemaakt om te leven en ook in deze fase van zijn leven stuwt het boompje zijn sap tot in het verste punt van elk blad. Zij het met moeite. Ik kan niet anders dan mijn appelboom aanschouwen en wachten. Ik kan niet anders dan kijken naar de boom en verwonderd blijven over het leven dat zich voltrekt in die verzameling frêle blaadjes die zijn kruin ondertussen geworden is. Zelfs nu zie je de kracht van het leven, de energie van waaruit we allemaal gemaakt zijn. De steeltjes trekken mijn aandacht. Ze symboliseren net dat moment waar je nooit wou zijn en als je er bent, je hoopt dat je er toch even mag blijven. Het zien van het leven in dat ogenblik brengt mededogen, wat zoveel meer is dan medelijden. Leven scheidt wie elkaar lief heeft, schrijft Jacques Prévert, zacht, zonder geluid.

 

Achter het raam zit het meisje met vermoeide ogen te kijken naar de kleine appelboom. De bladeren op het langzame gras. De tuin omhelst haar. In haar stroomt energie tot in de toppen van haar vingers. Langzaam. Maar het stroomt. Hier zijn geen letters voor.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Hello Kitty

Stokes-Hello-Kitty2-1200

Ze lopen hand in hand onder de schaarse stralen die de zon deze zomer aanbiedt. Rechts van hen appartementsgebouwen, zes hoog. Links van hen de Noordzee met een door boeien, windturbines en containerschepen verstoorde weidsheid. Ze wandelen oostwaarts anders kon de zee niet aan hun linkerkant liggen. Aan bakboord. Van achteren te zien schat ik ze tussen de  vijvenzeventig en de tachtig jaar oud. Zonder wandelstok of rollator.

Ik volg ze al enige tijd, niet bewust maar toevallig. Ik moet ook naar het oosten, of eerder naar het midden-oosten. Daar staat mijn fiets. Halverwege de dijk, nabij het casino. Dat hoop ik toch. In het Midden-Oosten geldt het gezegde: “Vertrouw op Allah, maar bind wel je kameel vast.” Aan mijn kameel zit een stevig slot. Net als ik ze wil inhalen, stoppen ze en draaien zich om. Een taverne trekt hun aandacht. Promotie voor de verse mosselen.

Ik schrik als ik nu ook hun voorkant zie. Hoewel ze er uitzien zoals ik had verwacht, keurige vitale bejaarden die gezondheidspillen op affiches bij de apotheek zouden kunnen aanprijzen, springen ze toch uit de band. De dame, ik schat ze zeker tachtig, draagt een witte bloes met erop in het groot, in het midden, een Hello Kitty figuurtje, geheel met onderschrift “Hello Kitty”, zodat je toch niet zou denken dat het Musti is. Hij draagt een zwart t-shirt met de overbekende tong van de Rolling Stones erop. Hot Lips.

Waarom schrik ik als ik een oma met een Hello Kitty-shirt zie of een Opa met het logo van een rockband? “Bij ons” wordt gezegd dat je je moet kleden naar je leeftijd. Terwijl “bij ons” ook wordt gezegd dat je mentaal altijd even oud blijft. Een soort imaginaire leeftijd. Mag kledij dan niet vertellen wie je bent en hoe je in het leven staat? Ik kan me niet van de gedachte ontdoen dat het t-shirt van Hello Kitty gezorgd heeft voor de vitaliteit van deze bijzondere bejaarden. Het is er alvast een illustratie van.

Mijn wandelaars hebben lak aan wat ze “bij ons” zeggen. Ik zie ze plaats nemen. Een ober komt hen de kaart brengen en ik zie hem lachend weglopen. Hij spreekt zijn collega aan, wijst naar het Hello Kitty -tafeltje. Ze lachen. Ook aan de tafeltjes rond onze bejaarden worden de t-shirts opgemerkt. En overal verschijnen pretlichtjes. De vitaliteit die deze twee uitstralen besmet het ganse terras. Aan één van de tafeltjes merk ik op dat er nog zijn waarvan hun fiets aan het casino staat. Ook vanonder de hoofddoek wordt gelachen. Iedereen geniet van deze ode van Hello Kitty en Hot Lips aan het leven.

De lichtmeridiaan: 6. Identiteit

blberge

De voortuin van de Academie voor Woord en Muziek in Blankenberge ligt perfect op de lichtmeridiaan. Het tuintje is een ideale locatie voor ons laatste lichtje. Publiek zichtbaar en toegankelijk, maar toch met een kleine barrière voor wie het wil zien. Je moet het tuintje immers ingaan. Met wat geluk overleeft het lampje de stedelijke grasmaaiers en de souvenirjagers toch enige tijd. Het is een bezorgdheid die we de hele reis wel wat hadden.

Het tuintje is om meer dan puur praktische redenen ideaal. Het tuintje helpt ons het verhaal dat zich deze reis heeft ontwikkeld, af te sluiten. De muziekacademie is de plek waar ik meer dan twaalf jaar mijn hobby heb beoefend en het is de plek waar mijn vader meer dan dertig jaar heeft gewerkt. Een kniesoor zal opmerken dat dertig jaar geleden hier geen muziekacademie gevestigd was. Dat klopt. De academie bevond zich toen in de Molenstraat, in andere oude schoolgebouwen.  De mooie gebouwen waar de academie zich nu bevindt behoorden vroeger toe aan de normaalschool van Blankenberge.

We hebben het tijdens dit verhaal over wortels gehad. Hier op deze plek hebben mijn vader en ik in elk geval een stuk wortel geschoten. Een stuk van onze geschiedenis ligt hier. Een stuk ervan was ook gezamenlijk. Na schooltijd ging ik gewoon met mijn vader mee naar zijn werk en kwam zo in de muziekacademie, toen nog muziekschool, terecht. Hoe pragmatisch de keuze van een hobby kan zijn. Ik heb het mij nooit beklaagd, integendeel. Ik speel nog altijd heel graag muziek en mede dankzij de opleiding in deze school, begrijp ik waar mijn vrouw, die een echte muzikante is, het over heeft. Ik ben geen muzikant. Toch wel, zegt zij. Wie ben ik?

Leven is zoeken naar onze eigen identiteit. De uitspraak komt van Charles Handy. Hij is één van wat ik mijn ankerpunten noem. Ik heb er vier: Charles Handy, Toon Hermans, Willem Vermandere en Ulrich Libbrecht. Ze zijn ankerpunten omdat na al die jaren ik merk dat ik hun boeken, platen en video’s het meeste raadpleeg als ik raad nodig heb en steeds opnieuw hun stemmen wil horen. Charles Handy is wellicht de minst bekende in onze contreien. Handy is Iers self-made sociaal filosoof en op hoge leeftijd nog steeds actief. Zie Youtube.

Als leven de zoektocht naar onze identiteit is, dan is die reis, die hiervan een hyponiem is, het dus ook. Hebben we iets geleerd op deze tocht die ons dichter bij onze identiteit heeft gebracht? Geleerd. Het is ook een vraag die we aan het begin van de rit behandeld hebben. Als we reizen om te leren, dan plaatsen we ons buiten de reis. Dan observeren we wat ons pad kruist. Wij zaten in de reis. De reis was wie wij waren gedurende deze vijf dagen. We waren vijf dagen lang lichtreizigers. Op pad met een kleine rubberen hamer, een notitieblad en een plastiek tuinlichtje. Elke dag opnieuw op zoek naar de ideale plek. We hebben gedurende de ganse reis nooit geobserveerd, maar beleefden elke minuut van onze onderneming.  Onze reis was veeleer een ervaring dan wel een leerschool. Ervaring. Libbrecht zegt het zo treffend: Er-varen. Je moet er varen om de beleving te pakken te krijgen.

Het bijzondere is dat tijdens een ervaring de vraag over de identiteit zich niet stelt. We vroegen ons niet af wie we waren en wat we deden. We vielen immers samen met de reis die we maakten. Wie samen valt met het decor, wordt decor. Het brengt rust. Vraag het aan de kameleon. Uiteraard waren er wel reflectiemomenten, zoals elke avond toen een nieuw verhaal geschreven moest worden, maar de dag zelf was gewoon leven en beleven. We voelden ons ontspannen, elke dag opnieuw. De reis was nooit echt vermoeiend ook al reden we vaak tien uur lang. Identiteit is een irrelevante vraag als je het leven leeft.

Kunnen we aldus stellen dat, als we ons druk maken over onze identiteit, we op dat ogenblik het leven even stil zetten? Ik heb het gevoel van wel. Staat het leven niet stil van zodra we ons gaan differentiëren? Stond het leven niet stil toen Zuid-Afrika leefde vanuit twee duidelijk met kleur afgebakende identiteiten? En begon het leven niet te bruisen toen Mandela daarover heen stapte en het verleden niet gebruikte om de misdadigers te onderscheiden van de slachtoffers, maar het verleden te gebruiken om de verschillen weg te werken? Valt Amerika niet stil zodra de termen America First valt? Om nog maar te zwijgen over het met harde hand invoeren van identiteitgebaseerde ideeën in het Midden-Oosten en de streek errond?

Onze week op de lichtmeridiaan heeft ons eraan herinnerd dat wat we doen belangrijker is dan wie we zijn. De steen zal de koers van de rivier bepalen, niet de naam van diegene die hem erin gelegd heeft. En ook hier heeft het vermaledijde Facebook bewijs van geleverd. Het was fijn toeven op het internet, te midden van allerlei interacties van nota bene vaak vreemde mensen. Velen kenden we niet en dat deed er ook niet toe. Maar de fijne woorden van aanmoediging die we kregen, die zouden we voor geen geld van de wereld willen gemist hebben.

Aldus: dank aan de lezer, de volger, de supporter, de “vriend”.

Als de vogel weg is, is de weg weg.

 

De versie voor Katrien

Sarah en Pippa spelen in de tuin van Pippa. De tuin van Pippa is een heel leuke tuin om in te spelen. Er staan veel bomen en de struiken zijn groot en groeien door elkaar. Je kan je verstoppen op heel veel plekken. Veel meer dan in de tuin van Sarah. Daar snoeit papa alle haagjes kort en netjes. En kan je dus gemakkelijk zien waar iemand zit. Maar de tuin van Pippa is een wilde tuin. Diep achter de bomen hebben Sarah en Pippa een huis gemaakt. Enkele takken vormen de muren en boven hun hoofd hebben ze een oud deken gehangen die de mama van Pippa hen heeft gegeven. Het deken hangt met wasspelden aan de takken van de bomen vast. Het is een gezellig huisje. Pippa heeft er haar tafeltje in gezet en Sarah heeft bordjes en kopjes op de tafel gezet. Naast Sarah en Pippa zitten ook de eekhoorn en de poortwachter netjes aan tafel, onder het deken dat aan de takken vast hangt. Het is tijd voor een vieruurtje, in het huis van Pippa en Sarah.

Kareltje belt aan bij Pippa en vraagt of Pippa er is om buiten spelen.

“Ze is achteraan in de tuin, samen met Sarah”, zegt de mama Pippa.

De mama van Pippa spreekt een beetje gek. Ze heeft een accent omdat ze uit een ander land komt. Een accent wil zeggen dat je de woorden een klein beetje anders, een beetje gekker, uitspreekt. Zo zegt de mama van Pippa niet “ze is achteraan in de tuin”, maar “zie ies achteran in de tu-ien, sammen with Sarah”.

“Ga maar” zegt de mama van Pippa. Maar Kareltje blijft aan de deur staan. De mama van Pippa herhaalt wat ze gezegd heeft: “zie ies achteran in de tu-ien, sammen with Sarah”. Ze denkt dat Kareltje haar niet begrepen heeft.

Maar Kareltje heeft de mama van Pippa heel goed begrepen. Hij wil alleen niet in die tuin gaan en zeker niet naar achter. Hij vindt de tuin van Pippa eng. Al die bomen en die struiken. Alles staat dicht op elkaar. En als je naar achter wil, dan moet je door de struiken heen klimmen. En kunnen de spinnen en de kevers in je kleren kruipen, zo denkt Kareltje. Kareltje heeft zelf geen tuin. Bij hem is er achteraan enkel een koertje waar hij met zijn go-cart racet. Hij is een beetje bang in de tuin.

“Ga maar”, herhaalt de mama van Pippa, en geeft Kareltje een licht duwtje in de rug.

Met enige tegenzin gaat Kareltje de tuin in. Hij hoort giechelende stemmen, heel ver, achter die grote bomen. Sarah en Pippa hebben het zeker naar hun zin.

Bij de eerste boom stopt Kareltje. Hij probeert tussen de takken van de struiken te kijken om Sarah en Pippa te vinden. Hij ziet niets. En toch hoort hij de twee meisjes heel goed.

Opnieuw hoort hij hen lachen. Heel nieuwsgierig probeert Kareltje de takken wat opzij te duwen. Het lukt. En er is geen enkel spin te bespeuren.

Hij maakt een stapje vooruit en de takken achter hem zwiepen terug tegen elkaar. Hij zit nu gevangen in het bos van Pippa. Heel even wordt hij erg bang. Bang dat hij niet meer terug kan. Bang dat hij de weg terug niet meer zal vinden.

Opnieuw lachen de meisjes. Nu hoort hij heel duidelijk dat ze een koekje aan het eten zijn. Zo van die lekkere die de mama van Pippa kan maken. Engelse koekjes. Cookies, zegt Pippa. Gekke naam voor een koek.

Hij neemt nog enkele stappen en moet opnieuw door een grote dikke struik klimmen. Geen kevers te zien.

Sarah ziet Kareltje van tussen de takken van de struiken komen.

“Hé, Kareltje!” roept ze, “kom je naar ons huis? We hebben lekkere koekjes.”

Kareltje heeft wel zin in zo’n koekje. Zijn trek in een koekje is groter dan zijn schrik van de bomen en struiken.

“Waar blijf je?” roept Pippa, “Je bent toch niet bang?”

Bij het horen van die vraag, schrikt Kareltje op. Bang, hij is nooit bang.

“Bang? Ik? Ik ben nooit bang”, zegt Kareltje met luide stem, terwijl hij angstvallig de struiken achter hem in de gaten houdt.

“Kom dan”, roept Pipa.

Kareltje holt vooruit naar het huisje van Sarah en Pippa. Toch maar zorgen dat hij sneller dan de spinnen is.

“Hier ben ik”, zegt hij triomfantelijk, alsof hij als een avonturier een hele jungle heeft doorkruist.

“Hier is een cookie”, zegt Pippa.

Kareltje neemt het cookie aan en speelt daarna de hele namiddag in de jungle met Sarah en Pippa. Ze spelen ontdekkingsreiziger en zoeken naar een verborgen schat.

Als ’s avonds Kareltje thuis komt, is hij helemaal zwart, groen en bruin van het bos van Pippa.

“Was het een leuke dag?” vraagt mama terwijl ze Kareltje helpt om in bad te kruipen.

“Heel leuk” zegt Kareltje, “we hebben in het bos van Pippa gespeeld. Pippa heeft een echt bos, met vele bomen.”

“Wat leuk”, zegt de mama van Kareltje.

“Ja, en het bos is helemaal niet eng. Er zitten geen spinnen en ook geen kevers. En ze kunnen niet in je kleren kruipen.”

“Had je dat dan gedacht?” vraagt de mama van Kareltje lachend.

“Nee, tuurlijk niet”, antwoordt Kareltje. Hij weet nu immers er geen spinnen zijn. Hij heeft het met zijn eigen ogen gezien. Omdat hij het gedurfd heeft om het bos in te gaan. Kareltje is nu een echte avonturier.

De lichtmeridiaan: 6. Mutaties

lichtreizigers

We hebben ons doel bereikt. Mijn zoon is gevonden. Of eerder, we hebben gewoon de plek bereikt waar hij op vakantie was. We wisten waar hij was. Maar vinden klinkt wat avontuurlijker dan bereiken. Vanaf vandaag prijken er dus drie lichtreizigers op de foto’s die onze reis documenteren. Zoals dat gaat bij familiefoto’s, is het eerste wat de achterban doet bij het bekijken van onze beelden, zoeken naar gelijkenissen. Lijken ze op elkaar? Kan je het eraan zien dat het grootvader, vader en zoon is? Wat hebben ze gemeen behalve hun familienaam?  Het zijn de klassieke vragen die al gesteld worden bij het eerste kiekje dat van je genomen wordt. Baby’s hebben amper de vouwen uit hun dubbel geplooid lichaam kunnen strijken of er wordt al gekeken welke erfelijke kenmerken er zichtbaar zijn.

Op latere leeftijd worden dan de stemmen vergeleken – ik dacht dat ik je vader hoorde toen je de telefoon opnam – eventueel neuzen, en uiteindelijk ook karaktertrekken. Reageren ze op dezelfde wijze op dezelfde dingen of heeft de nieuwe generatie de eventuele zwakke plekken van de oudere generatie overwonnen? Bij een baby zijn de eventuele gelijkenissen ontegensprekelijk natuurlijk. Bij de tieners heeft de opvoeding reeds zijn werk gedaan. Elke familie heeft zijn gebruiken en waarden. Deze gebruiken en de waarden worden overgedragen van de ene generatie op de andere. Zoals de juwelen die van grootmoeder, naar moeder en daarna naar de dochter overgedragen worden.

Anders dan bij juwelen veranderen de gebruiken en waarden bij elke overdracht. Daar waar juwelen bij voorkeur in hun oorspronkelijke staat bewaard en zelfs gedragen worden, dagen de nieuwe generaties steeds de waarden van de vorige generatie uit. Ze passen ze zelfs aan. We noemen dit het generatieconflict. Het is interessant om op te merken dat we dit een conflict noemen. De verandering wordt als een probleem, een tegen-stelling gezien. Terwijl het eigenlijk om een natuurlijke evolutie gaat. Een mutatie noemt de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco het. Barrico schreef voor de Italiaanse krant La Stampa een reeks artikelen over de verandering van normen, waarden en denken in onze samenleving. Zijn gedachten werden gebundeld in het boek ‘De Barbaren’, waarmee hij met een knipoog verwijst naar die nieuwe generatie die als barbaren te keer gaan tegen de cultuur die de vorige generatie heeft opgebouwd.

Op onze reis zitten drie generaties samen op pakweg zes vierkante meter. We reizen met een camper door Frankrijk. Mijn vader moet om kunnen met mijn manier van leven, en dat moet hij al vijftig jaar lang, en ik met deze van mijn zoon al zeventien jaar lang. Als ik het niet eens ben met een stelling of houding van mijn zoon, dan kan ik te rade gaan bij mijn vader, hij zit immers gemakkelijk  bereikbaar binnen die zes vierkante meter. Het probleem is dat zijn oplossingen om met mij om te kunnen gaan niet deze zomaar overdraagbaar zijn naar de “conflicten” die ik moet oplossen met mijn zoon. Ik noem het trouwens liever geen conflicten. Het gaat om ontdekken van mutatie en daar niet als een dodo op te reageren. De overgang van vis naar amfibie en van amfibie naar zoogdier, heeft andere uitdagingen waarvan de aanpak om ze op lossen verschilt per generatie.

Als we de evolutie van onze samnleving een mutatie noemen, dan volgt hieruit dat het begrijpen van onze eigen geschiedenis onvoldoende is om de problemen van vandaag aan te pakken. Het verleden geeft geen zekerheid, meer nog, de waarde van het verleden wordt overschat. Er zijn voldoende theologen opgeleid in alle godsdiensten, maar geen van hen kan het conflict dat zich vandaag laat duiden als een problematiek met moslimextremisme, met hun kennis oplossen. Anders waren er zoveel doden niet gevallen. Het kennen van de betekenis, vaak multi-interpretatief, van de Bijbel, de Koran of de Thora, helpt niet. De moderne moslim, extremist of niet, benadert zijn levensbeschouwing anders dan de vorige generatie, ook al beweren vooral deze laatsten daarenboven dat ze naar de oorspronkelijke leer willen terug gaan. Elke geloofsovertuiging werd al geconfronteerd met een poging tot het terugkeren naar de zogenoemde oorspronkelijke leer. Zoogdieren zullen  echter niet opnieuw vissen worden als het water aan hun lippen gaat staat. Ze zullen verdrinken en andere specimen zullen hun plaats innemen. Het zullen geen vissen zijn. Eventueel vissen versie 2. Maar die hebben misschien geen schubben en geen kieuwen. Wie weet.

Wil ik met mijn zoon in harmonie leven dan zal het er vooral op aan komen dat ik voeling hou met hem, meer nog dan hem begrijpen. Ik kan immers uit eerste hand vertellen dat zodra ik aanvoel dat mijn vader met mij om kan, elke spanning verdwijnt. Aanvoelen is iets helemaal anders dan begrijpen. Ik merk opnieuw uit eerste hand dat als ik begrip toon voor mijn zoon maar mij toch afkeer van zijn gedrag. Mijn begripvolle houding niet op applaus wordt onthaald, integendeel. Het aanvoelen ontbreekt. Ik gebruik teveel mijn verstand maar toon te weinig empathie.

Het is tot slot één ding om dit hier allemaal te schrijven, het is iets helemaal anders om het te doen. Ook al hebben wij het geluk dat de mutaties onze familie niet verscheuren, toch loopt het wel eens mis. De schade die dit dan teweeg brengt is zeer beperkt van aard. Ik twijfel er niet aan dat de leiders die vandaag hun hoofd breken over het probleem waar onze wereld mee worstelt, dit allemaal ook niet weten. Ik denk wel dat ze dezelfde fouten maken als deze die ze maken om met het gedrag van hun zoon of dochter om te kunnen, hoe voorbeeldig ze wellicht ook zijn. Als zij eens een fout maken, dan zijn gevolgen evenwel veel groter. Alle vaders zijn uiteindelijk dezelfde vaders en alle moeders ook.

De versie voor Katrien

Mama was boos. Sarah had haar kamer niet opgeruimd zoals ze het geleerd had. Na het spelen met één spel, ruim je het eerst op vooraleer je een ander spel uit de kast haalt. Dat was de afspraak. Zo niet, dan wordt het één grote rommelboel en geraken al die kleine dingetjes van het ene spel door elkaar gemengd met de kleine dingentjes van het andere spel. Dan komt het nooit meer goed.

Sarah was ook boos. Ze zat met haar handen gekruist over haar buik onder de tafel. Dat deed ze vaak als ze niet akkoord ging met wat mama zei. Een diepe frons in haar voorhoofd. Hoe mama het ook probeerde uit te leggen, Sarah wou niet luisteren. Ze was nuddig. Al een half uur. Nuddig was een Sarah-woordje en het betekent nukkig. Sarah’s beste vriend Kareltje was vaak nuddig ’s morgens op de speelplaats. Als Sarah ’s ochtends opgewekt naar haar vriendje holde, dan kreeg ze wel meer dan eens een grom toegegooid. Kareltje wou dan niet praten. De mama van Sarah had  gezegd dat dit nukkig was. Het hoorde bij het ochtendhumeur van Kareltje. Een beetje zoals papa die ’s ochtends aan het ontbijt graag in stilte zijn boterham op at en eens door de krant bladerde. Dan moest Sarah haar plannen voor de komende dag niet uitleggen. Dat had de mama aan Sarah geleerd. Het was moeilijk om die les te onthouden.

De mama van Sarah bedacht dat als zij vroeger ruzie had met haar mama, de oma van Sarah, ze in de kelder moest gaan zitten. In het donker. Bijvoorbeeld als ze haar bord met spruitjes niet wou opeten. Dan vloog ze helemaal naar beneden. Oma kwam dan kijken en als het bord leeg was dan mocht mama weer naar boven komen. Het bord was altijd leeg. Oma vroeg aan de mama van Sarha of spruitjes misschien lekkerder waren in de kelder dan in de keuken. Maar wat Oma niet wist, is dat de mama van Sarah al haar spruitjes één voor één in de lege flesjes bier stak die in de kelder stonden.

Sarah moest nooit naar de kelder. Gelukkig maar, want Sarah had heel veel schrik in het donker. En dus zat Sarah onder de tafel met haar handen gekruist over haar buik en haar diepe frons in haar voorhoofd. Het was gewoon niet eerlijk! Mama begreep het niet! Sarah wou met haar plasticine mooie meubeltjes maken voor haar poppen. Een stoel voor de eekhoorn en een tafel. En een heel mooi huisje waar de poortwachter in op wacht kon staan. Dus had ze wel én de poppen én de doos met plasticine nodig.

Maar mama wist niet hoe het moest, want mama had nooit plasticine gehad. En dus zat Sarah  onder de tafel met haar handen gekruist over haar buik en een diep frons in het voorhoofd.